In deze zaak staat centraal het beslag dat ING als zekerhedenagent in India heeft gelegd op het schip 'Naias', eigendom van Dymi Maritime Co Ltd. Dit beslag werd gelegd in verband met een vordering uit geleverde bunkerbrandstoffen. Dymi startte een procedure bij het High Court of Gujarat om het beslag op te heffen en schadevergoeding te vorderen wegens onrechtmatigheid van het beslag. Het beslag werd opgeheven nadat Dymi een bankgarantie stelde.
De rechtbank Amsterdam oordeelde dat het beslag onrechtmatig was en wees de vordering tot teruggave van de bankgarantie toe, maar wees de schadevergoedingsvorderingen af omdat het Indiase hof niet had vastgesteld dat ING schadevergoeding verschuldigd was. Dymi ging in hoger beroep tegen dit vonnis, waarbij de bankgarantievordering inmiddels is geregeld, zodat het hoger beroep zich richt op de schadevergoedingsvorderingen.
Het hof stelt vast dat de rechtbank bevoegd was op grond van Brussel I-bis en dat Indiaas recht van toepassing is. Het hof oordeelt dat de rechtbank het beslag onrechtmatig heeft verklaard, maar dat de schadevergoedingsvorderingen inhoudelijk beoordeeld moeten worden. Het hof is voornemens vragen te stellen aan het Internationaal Juridisch Instituut over de aansprakelijkheid van ING, de rol van kwade trouw, de toepassing van recente Indiase jurisprudentie en wetgeving, en de wijze van schadevaststelling onder Indiaas recht.
De zaak wordt aangehouden voor een nieuwe comparitie waarin deze vragen en een mogelijke schikking besproken zullen worden. Het arrest is gewezen door de meervoudige kamer van het gerechtshof Amsterdam en op 28 januari 2025 uitgesproken.