Uitspraak
1.[appellant 1] B.V. ,
[appellant 2] B.V.,
1.[geïntimeerde 1] B.V. ,
[geïntimeerde 2] B.V.,
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
overlopende activa/vooruitbetaald voor 2019’ ad € 22.844,- in de commerciële balans van [appellant 1] door overheveling van een deel van die posten naar de commerciële balans van [geïntimeerde 1] .
bijlage(openstaande postenlijst per crediteur en Kopie van Crediteurenlijst aangepast [naam 10] ) bij deze brief gevoegd. Dit is de verdeling per 4 oktober 2019. De totaal openstaande posten die daarbij zijn verdeeld sloot op € 430.511,95 (€ 259.978,87 voor [geïntimeerde 1] en € 170.533,08 voor [appellant 1] ).
Hoofdstuk V
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
eerste griefstaat in verband met het feit dat Mastenbroek en World Flower niet hebben willen instemmen met een overdracht aan [appellanten] van 50% van het aandeel van [appellant 2] in de kwekersrechten waartoe Mastenbroek en World Flower medegerechtigd zijn. De grief, waarbij [appellanten] ook hun eis hebben gewijzigd, strekt ertoe – kort gezegd – dat [geïntimeerden] niettemin worden veroordeeld om de helft van het aandeel in die kwekersrechten op naam van [appellanten] te doen stellen, althans om het ertoe te leiden dat aan [appellanten] de helft van de netto-opbrengsten van het aandeel in die kwekersrechten wordt betaald en dat wordt zeker gesteld dat [geïntimeerden] bij vervreemding van (een deel van) dat aandeel, de helft van de netto-opbrengst ervan aan [appellanten] (doen) betalen.
waardevan het aandeel van (thans) [geïntimeerde 2] BV in de desbetreffende kwekersrechten, die niet uitsluitend bestaat uit de royalty’s, moet toevallen aan beide partijen. [geïntimeerden] zijn dan ook niet alleen gehouden om 50% van de royalty’s uit hoofde van deze kwekersrechten aan [appellanten] te (doen) betalen maar ook om bij vervreemding van het aandeel van [geïntimeerde 2] BV in die kwekersrechten de helft van de opbrengst daarvan aan [appellanten] uit te (doen) betalen. [geïntimeerden] heeft in dat verband kenbaar gemaakt dat hij instemt met de vestiging van een pandrecht op het aandeel van [geïntimeerde 2] BV in die kwekersrechten, opdat deze betaling aan [appellanten] na vervreemding van het aandeel van [geïntimeerde 2] B.V. wordt zeker gesteld. Het hof zal [geïntimeerde 2] BV veroordelen tot deze prestatie, ten gunste van [appellant 2] BV.
tweede griefvan [appellanten] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerden] de kwekersrechten op het ras Negrita Double niet voor de helft op naam van [appellanten] hoeven te doen stellen en dat [geïntimeerden] , als gerechtigden tot die kwekersrechten, niet gehouden kunnen zijn om in verband met de teelt van dat ras aan [appellanten] een licentievergoeding te betalen. Ook met betrekking tot dit ras stellen [appellanten] – kort gezegd – dat zij bij gelegenheid van de afsplitsing van [appellant 2] medegerechtigde zijn geworden, althans dat de helft van deze rechten aan [appellanten] dient te worden overgedragen dan wel de netto-opbrengsten uit de exploitatie van de kwekersrechten met betrekking tot dit ras bij helfte verdeeld moeten (blijven) worden, en dat [geïntimeerden] voor de eigen teelt van het ras aan [appellanten] een vergoeding moeten betalen als waren [appellanten] voor de helft medegerechtigden tot dit ras.
eerste griefvan [appellanten] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.23-4.25 van het deelvonnis) dat de door de vennootschap ontvangen omzetbelastingteruggaven over heel 2019 afgerekend moeten worden en (rov. 2.13-2.15 van het eindvonnis) dat [appellanten] in dat verband € 1.895,40 moeten betalen.
tweede griefklagen [appellanten] over het oordeel van de rechtbank (rov. 4.34-4.36 van het deelvonnis en rov. 2.21 van het eindvonnis) dat een betaling, op 8 april 2020, à € 9.847,82 door Agrarisch Natuurbeheer bij helfte tussen partijen gedeeld moet worden. Volgens [appellanten] staan de vaststellingsovereenkomsten aan dit oordeel van de rechtbank in de weg.
derde griefkomen [appellanten] op tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.30-4.33 van het deelvonnis en rov. 2.17-2.20 van het eindvonnis) dat het vertrek van personeelslid [naam 1] [naam 5] per 1 december 2019 reden is om de draagplicht ter zake van de personeelslasten met ingang van die datum te veranderen van 71,39% voor [geïntimeerden] en 28,61% voor [appellanten] in 64,1% voor [geïntimeerden] en 35,9% voor [appellanten] Volgens [appellanten] berusten de percentages van 71,39 en 28,61 op (art. 11 van Pro) de vaststellingsovereenkomst van 4 maart 2019. Ook deze grief faalt, omdat het hof in art. 11 van Pro de vaststellingsovereenkomst niet leest – net zomin als de rechtbank en [geïntimeerden] – dat de personeelslasten in de vaste verhouding 71,39/28,61 tussen partijen zullen worden verdeeld, maar dat die verdeling wordt gerelateerd aan het personeel dat op enig moment bij partijen in dienst is. In de eerste plaats biedt de tekst van art. 11 geen Pro aanknopingspunt voor de stelling van [appellanten] dat de percentages ongewijzigd zouden blijven. In de tweede plaats hebben [geïntimeerden] betwist dat de door [appellant 1] betaalde afkoopsom van € 20,000 voor risico’s ook betrekking had op een geval van vrijwillig ontslag als hier aan de orde, en is de andersluidende stelling van [appellanten] in het licht van die betwisting onvoldoende onderbouwd. Andere argumenten die de uitleg van [appellanten] van de afspraken over de verdeling van de personeelslasten ondersteunen, hebben [appellanten] niet aangevoerd. Vanwege het vertrek van [naam 5] is die verdeling dus terecht per 1 december 2019 aangepast.
vierde griefvan [appellanten] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.49-4.51) dat de kosten van Ateco in verband met herstelwerkzaamheden ter zake van elektra in de schuur die is toegedeeld aan [appellanten] , volledig voor rekening van [appellanten] zijn. De grief faalt, omdat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de schuur aan [appellanten] is toegedeeld in de staat en tegen de waarde van de schuur in 2018, zodat de kosten van het herstel van de elektra van de schuur die [appellanten] nadien hebben gemaakt, geheel voor rekening van [appellanten] zijn. Dat wordt niet anders door de omstandigheid dat geen (bouwkundige) keuring van de installaties heeft plaatsgevonden. Hieraan kan nog worden toegevoegd dat het herstel en de eventuele waardevermeerdering die daarvan het gevolg is, geheel ten bate van [appellanten] komt. Het beroep van [appellanten] op de redelijkheid en billijkheid – wat daarvan ook zij – kan niet tot de conclusie leiden dat [geïntimeerden] alsnog de helft van de kosten van de herstelwerkzaamheden voor hun rekening moeten nemen.
vijfde griefklagen [appellanten] over het oordeel van de rechtbank (rov. 4.64-4.66 van het deelvonnis) dat [geïntimeerden] geen huur van € 12 per kist per kwartaal hoeven te betalen voor het gebruik van aan [appellanten] toegedeelde kuubkisten. Deze grief faalt, omdat de gestelde vordering onvoldoende is onderbouwd. Het staat vast – zoals de rechtbank ook heeft overwogen – dat partijen ter zake van de kuubkisten geen huurovereenkomst hebben gesloten. [appellanten] baseren hun vordering op art. 8 van Pro de vaststellingsovereenkomst van 4 maart 2022, maar die bepaling ziet op de eventuele huur van kuubkisten ná verdeling. De vergoeding die [appellanten] vorderen, houdt verband met de omstandigheid dat, naar zij stellen, [geïntimeerden] de kuubkisten die aan [appellanten] waren of zouden worden toegedeeld, te laat hebben afgegeven. Die omstandigheid – waarvoor [geïntimeerden] een gemotiveerde verklaring hebben gegeven – rechtvaardigt als zodanig niet dat [geïntimeerden] worden veroordeeld om een vergoeding te betalen alsof zij de desbetreffende kuubkisten van [appellanten] zouden hebben gehuurd. De gestelde vordering is dus niet toewijsbaar.
zesde griefvan [appellanten] is gericht tegen het oordeel van de rechtbank (rov. 4.67-4.68 van het deelvonnis) dat [appellanten] geen recht hebben op een vergoeding à € 2.090 omdat [geïntimeerden] 19 kuubkisten te weinig aan [appellanten] hebben afgegeven.
zevende griefvan [appellanten] betreft hun vordering tot betaling van (per saldo) € 3.211 in verband met de grond die bij de vaststellingsovereenkomst van 9 oktober 2019 en feitelijk per 30 december 2019 aan [appellanten] is toegedeeld, maar in 2019 door [geïntimeerden] is geëxploiteerd. [appellanten] voeren aan dat de grond blijkens de splitsingsakte al (met terugwerkende kracht) per 1 januari 2019 aan [appellanten] toebehoort, zodat [geïntimeerden] voor de ter zake van die grond ontvangen opbrengsten een vergoeding moeten betalen.
achtste griefstrekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld (rov. 4.73-4.75 van het deelvonnis) dat [geïntimeerden] geen vergoeding hoeven te betalen voor hun eigen gebruik in 2019 van aan [appellanten] toegedeelde grond. Zoals [appellanten] ook zelf stellen, heeft de grief dezelfde feitelijke grondslag als hun zevende grief. De achtste grief faalt om dezelfde reden, waaraan het hof toevoegt dat het beroep van [appellanten] op ongerechtvaardigde verrijking respectievelijk de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid eveneens afstuit op de regeling in de vaststellingsovereenkomst.
eiswijzigingdat voor recht wordt verklaard dat [geïntimeerden] op eerste verzoek van [appellanten] aan Delta Tulips en [naam 3] Veer moeten bevestigen dat de vorderingen op deze debiteuren – door [appellanten] begroot op € 20.945,52 en € 1.737,85 – moeten worden voldaan aan [appellanten] [geïntimeerden] erkennen dat deze vorderingen zijn toegedeeld aan [appellant 2] BV, maar stellen tegelijkertijd dat die vorderingen niet de door [appellanten] gestelde omvang hebben.
incidentele appelvoeren [geïntimeerden] een grief aan tegen de rekenfout in het eindvonnis, die de rechtbank heeft erkend maar – op de grond dat de fout zich daarvoor niet leent – niet op de voet van art. 31 Rv Pro heeft willen herstellen. [geïntimeerden] voeren opnieuw aan dat de rechtbank het aan [geïntimeerden] verschuldigde bedrag wegens BTW-teruggaven had moeten becijferen op € 22.470,60, in plaats van op € 11.438,40, en de vordering van [appellanten] dus had moeten afwijzen.