Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1] B.V.,
[appellant 2] B.V.,
1.[geïntimeerde 1] B.V.,
[geïntimeerde 2] B.V.,
1.Het verdere verloop van het geding in hoger beroep
2.De verdere beoordeling
€ 6.639,00(tarief IV à € 2.213,00, 3 punten)
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak tussen broers over de rechtsgevolgen van de splitsing van hun voormalige gezamenlijke onderneming, oordeelt het Gerechtshof Amsterdam over medegerechtigdheid tot kwekersrechten en de verdeling van de opbrengsten daarvan.
Het hof handhaaft het eerdere tussenarrest en het deelvonnis van maart 2022, waarbij [geïntimeerde 1] BV en [geïntimeerde 2] BV worden veroordeeld tot betaling van de helft van de netto-opbrengst van hun aandeel in kwekersrechten aan [appellant 2] BV, inclusief een pseudolicentievergoeding met wettelijke rente. Tevens wordt een pandrecht gevestigd ter zekerheid van deze verplichtingen.
In de tweede zaak vernietigt het hof het eerdere vonnis grotendeels, wijst de vorderingen van [appellanten] af en bepaalt dat het arrest de kracht heeft van een in wettige vorm opgemaakte akte betreffende gerechtigdheid tot vorderingen op derden. Proceskosten worden deels gecompenseerd en deels aan [appellanten] opgelegd. Het arrest is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
Uitkomst: Het hof bevestigt en breidt veroordelingen uit over kwekersrechten en vergoedingen, wijst overige vorderingen af en regelt proceskostenverdeling.