ECLI:NL:GHAMS:2025:1796
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- G.C. Boot
- I.A. van der Burg
- K.G.F. van der Kraats
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid van de Republiek Suriname in verzet tegen verstekvonnis wegens te late dagvaarding
De zaak betreft het hoger beroep van de Republiek Suriname tegen een vonnis van de kantonrechter Amsterdam waarin zij niet-ontvankelijk werd verklaard in haar verzet tegen een verstekvonnis van 3 oktober 2022. Dit verstekvonnis veroordeelde Suriname onder meer tot het toestaan van werkzaamheden van de geïntimeerde als systeembeheerder en betaling van diverse bedragen.
De Republiek Suriname stelde dat het verzet tijdig was ingesteld met dagvaarding op 6 januari 2023, en voerde aan dat het verstekvonnis nooit persoonlijk aan haar was betekend. De geïntimeerde voerde verweer dat het verstekvonnis op 2 november 2022 per aangetekende brief was ontvangen, waardoor de verzettermijn van acht weken op 28 december 2022 was verstreken.
Het hof oordeelde dat de betekening per aangetekende brief aan het adres in Suriname rechtsgeldig was volgens het Haags Rechtsvorderingsverdrag 1954. Hierdoor was de verzettermijn op 2 november 2022 gestart en was de dagvaarding van 6 januari 2023 te laat. Het hof bekrachtigde het bestreden vonnis en veroordeelde de Republiek Suriname in de proceskosten.
Uitkomst: De Republiek Suriname is niet-ontvankelijk verklaard in haar verzet wegens te late dagvaarding en het bestreden vonnis is bekrachtigd.