ECLI:NL:GHAMS:2025:1701

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
1 juli 2025
Publicatiedatum
3 juli 2025
Zaaknummer
200.353.044
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 125 Wetboek van Burgerlijke RechtsvorderingArt. 353 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens te laat herstelexploot in civiele procedure

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de kantonrechter, met een aangezegde roldatum van 4 maart 2025. Appellant bracht de zaak echter niet op die rol. Op 26 maart 2025 bracht appellant een herstelexploot uit, maar dit was buiten de wettelijke termijn van twee weken na de roldatum.

Geïntimeerde verzocht het hof ambtshalve te beoordelen of appellant ontvankelijk was in het hoger beroep. Het hof stelde appellant in de gelegenheid zich hierover uit te laten, waarna het vonnis werd bepaald.

Het hof oordeelde dat het herstelexploot niet geldig was omdat het niet binnen de termijn van twee weken na de roldatum was uitgebracht, zoals vereist in artikel 125 lid 5 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering. Hierdoor is de aanhangigheid van het geding vervallen en wordt verstaan dat de instantie is geëindigd. Het hof veroordeelde appellant in de proceskosten van geïntimeerde en verklaarde de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens te laat uitgebracht herstelexploot; instantie is geëindigd.

Uitspraak

arrest
___________________________________________________________________ _ _
GERECHTSHOF AMSTERDAM
afdeling civiel recht en belastingrecht, team I
zaaknummer : 200.353.044/01
zaaknummer rechtbank Amsterdam : 11008248 CV EXPL 24-3082
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 1 juli 2025
inzake:
[appellant],
wonend te [plaats] ,
appellant,
advocaat: mr. W. Albers te Amsterdam,
tegen
WONINGSTICHTING ROCHDALE,
gevestigd te Amsterdam,
geïntimeerde,
advocaat: mr. M. van den Oord te Utrecht.

1.Het geding in hoger beroep

1.1.
Bij dagvaarding van 12 februari 2025 heeft appellant geïntimeerde aangezegd dat hij hoger beroep instelt tegen het onder bovengenoemd zaaknummer tussen partijen gewezen vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam van 12 november 2024. Daarbij heeft hij geïntimeerde aangezegd in hoger beroep te verschijnen op 4 maart 2025. Appellant heeft de zaak niet op de rol van 4 maart 2025 aangebracht.
1.2.
Op 26 maart 2025 heeft appellant een herstelexploot aan geïntimeerde betekend en haar opgeroepen te verschijnen op 8 april 2025. Appellant heeft de zaak op de rol van 8 april 2025 aangebracht. Geïntimeerde is verschenen en heeft het hof verzocht ambtshalve te beoordelen of appellant ontvankelijk is in het hoger beroep.
1.3.
Bij rolbeslissing van 8 april 2025 is appellant in de gelegenheid gesteld zich op de rol van 22 april 2025 bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in hoger beroep. Appellant heeft eenmaal een uitstel verzocht van twee weken. Appellant heeft zich vervolgens bij H16-formulier en e-mailbericht van 5 mei 2025 over de ontvankelijkheid in hoger beroep uitgelaten. Geïntimeerde heeft op de rol van 20 mei 2025 een antwoordakte genomen.
Arrest is bepaald op heden.

2.Beoordeling

2.1.
Ingevolge het bepaalde in artikel 125, leden 2 en 5 in verbinding met artikel 353, lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) vervalt de aanhangigheid van het geding indien het exploot van de dagvaarding niet is ingediend op de laatste dag waarop de griffie is geopend, voorafgaande aan de in de dagvaarding vermelde roldatum, tenzij binnen twee weken na de in de dagvaarding vermelde roldatum een geldig herstelexploot is uitgebracht. Als herstelexploot kan slechts gelden een exploot dat een nieuwe rechtsdag aanzegt en dat gevolgd wordt door inschrijving op de rol van die aangezegde rechtsdag (zie o.a. HR 22 december 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZC1934).
2.2.
Het herstelexploot van 26 maart 2025 is niet geldig, omdat het niet is uitgebracht binnen twee weken na de in de dagvaarding vermelde roldatum van 4 maart 2025 (zie o.a. HR 5 december 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZC2523). Dit brengt mee dat de aanhangigheid van het geding op de voet van artikel 125 lid 5 Rv Pro is vervallen. Het arrest van de Hoge Raad van 17 december 1982 (ECLI:NL:HR:1982:AG4507, NJ 1984/59 Van der Kroft/Lont), waarop appellant heeft gewezen, leidt niet tot een ander oordeel. Dit arrest is immers gecodificeerd in lid 5 van artikel 125 Rv Pro, waarbij de termijn voor het uitbrengen van een herstelexploot is bepaald op twee weken. Het betoog van appellant dat hij het herstelexploot weliswaar buiten de termijn van twee weken maar wel binnen bekwame tijd heeft uitgebracht, kan hem dus niet baten. De termijnen voor hoger beroep zijn van openbare orde en worden door de rechter ambtshalve gehandhaafd.
2.3.
Het vorenstaande brengt mee dat zal worden verstaan dat de instantie is geëindigd.

3.Beslissing

Het hof:
verstaat dat de instantie is geëindigd;
veroordeelt appellant in de kosten van het geding in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 827,00 aan verschotten alsmede € 607,00 aan salaris advocaat en € 178,00 voor nasalaris, te vermeerderen met € 92,00 voor nasalaris en de kosten van het betekeningsexploot ingeval betekening van dit arrest plaatsvindt;
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 1 juli 2025.