De zaak betreft een geschil over de zorgregeling voor drie minderjarige kinderen en de partneralimentatie na echtscheiding van de man en vrouw. De rechtbank had een zorgregeling vastgesteld waarbij de jongste drie keer per week bij de man verblijft en de oudere kinderen zelf bepalen of zij contact willen. Tevens werd partneralimentatie van € 2.500 per maand opgelegd.
De man ging in hoger beroep en verzocht om een co-ouderschapsregeling met vaste contactmomenten en afwijzing van partneralimentatie vanwege gebrek aan draagkracht. De vrouw wilde de beschikking bekrachtigen. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde de rechtbanksregeling te handhaven, mede vanwege het contact- en locatieverbod tegen de man.
Het hof oordeelde dat het contactverbod de uitvoering van een uitgebreidere zorgregeling belemmert en dat de oudere kinderen zelf mogen bepalen over contact. De man had onvoldoende bewijs geleverd van gebrek aan draagkracht, waardoor de partneralimentatie blijft bestaan. Het verzoek om aanpassing van de zorgregeling en verlaging van alimentatie werd afgewezen en de beschikking bekrachtigd.