Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2025:1223

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
3 april 2025
Publicatiedatum
8 mei 2025
Zaaknummer
23-002776-24
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416 lid 3 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid OM in hoger beroep wegens beëindiging strafzaak en tenuitvoerlegging PIJ-maatregel

In deze zaak heeft het openbaar ministerie hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, waarbij het hoger beroep gericht was tegen de opgelegde strafmaat. Tijdens de terechtzitting op 3 april 2025 heeft de advocaat-generaal aangegeven dat het OM, gezien recente ontwikkelingen rondom de verdachte, de grieven niet langer handhaaft en het hoger beroep wil beëindigen om de voorlopige tenuitvoerlegging van de in eerste aanleg voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel mogelijk te maken.

Het hof heeft vervolgens overwogen dat er geen rechtens te beschermen belang is bij voortzetting van de behandeling van het hoger beroep, mede omdat de verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld. Op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering heeft het hof het OM niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 3 april 2025. De jongste raadsheer was niet in staat het arrest mede te ondertekenen. Hiermee komt een einde aan de procedure in hoger beroep en kan de voorlopige tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel plaatsvinden.

Uitkomst: Het openbaar ministerie wordt niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep, waardoor het vonnis van de rechtbank blijft staan en de voorlopige tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel kan plaatsvinden.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002776-24
datum uitspraak: 3 april 2025
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 20 november 2024 in de gevoegde strafzaken onder de parketnummers 15-332674-23 (hierna: zaak A) en 15-139891-24 (hierna: zaak B), alsmede 15-313168-20 (TUL), 15-255431-22 (TUL) tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 2008,
adres: [adres] .

Onderzoek ter terechtzitting

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 3 april 2025.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de verdachte en zijn raadsman naar voren hebben gebracht.
Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen voormeld vonnis.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in het hoger beroep

Het openbaar ministerie heeft hoger beroep ingesteld tegen het vonnis waarvan beroep. Blijkens de appelschriftuur was het hoger beroep gericht tegen de strafmaat. Bij e-mail van 26 maart 2025 en ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal kenbaar gemaakt dat het openbaar ministerie, gelet op de recente ontwikkelingen aangaande de verdachte, de grieven niet langer handhaaft en de beëindiging van het appel wenst, met het oog op de (voorlopige) tenuitvoerlegging van de in eerste aanleg voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel. Om die reden heeft de advocaat-generaal zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Gelet op het voorgaande en gehoord de verdediging is het hof van oordeel dat, nu niet is gebleken van enig rechtens te beschermen belang dat is gediend met de voortgezette behandeling van de zaak, waarbij het hof tevens heeft meegewogen dat de verdachte zelf geen hoger beroep heeft ingesteld, het openbaar ministerie op grond van het in artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering bepaalde, niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in het hoger beroep.

BESLISSING

Het hof:
Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. N.R.A. Meerbeek, mr. C.J. van der Wilt en mr. M.C. van der Mei, in tegenwoordigheid van mr. C.E. Dongelmans, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 3 april 2025.
De jongste raadsheer is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.