ECLI:NL:GHAMS:2024:597
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Vader niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen machtiging tot uithuisplaatsing minderjarige
De zaak betreft het hoger beroep van de biologische vader tegen de machtiging tot uithuisplaatsing van zijn minderjarige kind. De moeder oefent het gezag uit en de vader heeft het kind niet erkend. De vader verzocht om vernietiging van de machtiging en vaststelling van een contact- en zorgregeling.
Het hof oordeelt dat de vader niet als belanghebbende kan worden aangemerkt bij de machtiging tot uithuisplaatsing, omdat hij niet met het gezag is bekleed en zijn rechten en verplichtingen daardoor niet rechtstreeks worden geraakt. De uithuisplaatsing heeft het recht op gezinsleven van de vader met het kind niet feitelijk belemmerd.
Daarnaast kan de vader niet worden ontvangen in zijn verzoek tot vaststelling van een omgangsregeling, omdat dit een nieuw verzoek is dat niet in hoger beroep kan worden ingediend. Het hof verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep en verzoek tot omgangsregeling.
Uitkomst: De vader is niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep tegen de machtiging tot uithuisplaatsing en in zijn verzoek tot omgangsregeling.