ECLI:NL:GHAMS:2024:558
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voortzetting huurovereenkomst volwassen kind na overlijden vader wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding
De zaak betreft een vordering van een volwassen kind om de huurovereenkomst van zijn overleden vader voort te zetten op grond van artikel 7:268 lid 2 BW Pro. De kantonrechter wees deze vordering af omdat onvoldoende was aangetoond dat sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Het hof bevestigt dit oordeel na beoordeling van de feiten en stellingen.
Het hof overwoog dat het kind onvoldoende concreet heeft toegelicht hoe de kosten van de huishouding werden gedeeld en dat de overgelegde bankafschriften slechts sporadische kleine uitgaven tonen zonder duidelijkheid over gemeenschappelijk gebruik. Ook het feit dat het kind mantelzorg verleende en samen met de vader sociale activiteiten ondernam, is onvoldoende om een duurzame gemeenschappelijke huishouding aan te nemen.
Verder is niet gebleken dat het samenwonen duurzaam en op voortzetting gericht was. Het kind stond minder dan drie jaar ingeschreven op het adres, en hij heeft niet concreet toegelicht waarom het overlijden van de vader onverwacht was. Het hof hanteert een strenge maatstaf vanwege het belang van rechtvaardige toewijzing van sociale huurwoningen. De vordering wordt daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd, met een verlenging van de ontruimingstermijn naar twee maanden.
Uitkomst: De vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst wordt afgewezen en het vonnis van de kantonrechter bekrachtigd met een ontruimingstermijn van twee maanden.