Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2024:432

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
29 februari 2024
Zaaknummer
23-000375-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis ontnemingszaak met aanvulling bewijsmiddel hennepteelt

Het gerechtshof Amsterdam heeft op 27 februari 2024 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2022 in een ontnemingszaak. Het openbaar ministerie had in eerste aanleg gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel werd vastgesteld op €74.757,05, maar stelde dit bedrag tijdens de zitting bij op €51.720,10. De rechtbank stelde dit bedrag vast en legde de betrokkene de verplichting op dit bedrag aan de Staat te betalen.

In hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank bevestigd, met een belangrijke aanvulling. Het hof voegde een proces-verbaal toe dat indicatoren bevat over eerdere oogsten van hennep in een kwekerij op een adres te Westbeemster. Dit proces-verbaal geeft aan dat er sprake was van zware vervuiling en dat er meer dan vijf eerdere oogsten hebben plaatsgevonden, maar dat het exacte aantal niet vast te stellen is. Daarom is in het voordeel van de betrokkene uitgegaan van vijf eerdere oogsten bij de berekening van het voordeel.

Het hof verwierp de stelling van het openbaar ministerie dat de betrokkene voordeel had verkregen uit de hennepteelt op 6 februari 2020, omdat het hof oordeelde dat de betrokkene uit andere strafbare feiten voordeel had verkregen. Het vonnis werd aldus bevestigd met inachtneming van deze overwegingen en de toevoeging van het bewijsmiddel.

De uitspraak werd gedaan door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarbij één rechter wegens omstandigheden niet medeondertekende.

Uitkomst: Het hof bevestigt het vonnis en legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van €51.720,10 aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

Uitspraak

Afdeling strafrecht
Parketnummer: 23-000375-22 (ontneming)
Datum uitspraak: 27 februari 2024
VERSTEK
Arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Noord-Holland van 3 februari 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met nummer 15-272555-20 tegen de betrokkene:
[verdachte01],
geboren op [geboortedatum01] 1965 te [geboorteplaats01] ,
adres: [adres01] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg gevorderd dat het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e lid 5 Sr wordt geschat, wordt vastgesteld op € 74.757,05 en aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag. Ter terechtzitting in eerste aanleg van 20 januari 2022 heeft de officier van justitie dit bedrag gesteld op € 51.720,10.
De rechtbank heeft bij vonnis van 3 februari 2022 het wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op € 51.720,10 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van dat bedrag.
Namens de betrokkene is hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 13 februari 2024 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal, inhoudende bevestiging van het vonnis van de rechtbank.

Vonnis waarvan beroep

Het hof verenigt zich met het vonnis waarvan beroep en zal dit derhalve bevestigen, met dien verstande dat het hof:
  • de tweede alinea onder paragraaf 1 op pagina 1 van het vonnis (beginnend met
  • de tekst onder paragraaf 5.1 op pagina 2 van het vonnis niet overneemt en vervangt door:
  • het vonnis aanvult met het volgende bewijsmiddel:
Een proces-verbaal ‘indicatoren eerdere oogsten’ van 20 augustus 2020 met nummer PL1100-2019198633-26, in de wettelijke vorm opgemaakt door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant01] en [verbalisant02] (pagina’s 55 tot en met 60).
Dit proces-verbaal houdt in, voor zover van belang en zakelijk weergegeven, als mededeling van de verbalisanten:
De ontnemingsperiode betreft de periode van 1 augustus 2018 tot en met 6 februari 2020. Indien vervuiling in de hennepkwekerij en van de hennep gerelateerde goederen een belangrijke rol speelt bij de vaststelling van eerdere opbrengsten uit de aangetroffen hennepkwekerij kunnen niet meer dan vijf eerdere oogsten vastgesteld worden. De vervuiling is in drie categorieën in te delen, namelijk: licht vervuild, gemiddeld vervuild en zwaar vervuild. In de aangetroffen kwekerij op perceel [adres02] te Westbeemster was er sprake van zware vervuiling. Gezien de vastgestelde indicatoren kan vastgesteld worden dat er meer dan vijf eerdere opbrengsten uit de hennepkwekerij hebben plaatsgevonden. Echter, niet is vast te stellen hoeveel meer dan de berekende vijf eerdere opbrengsten er hebben plaatsgevonden. Derhalve is in het voordeel van de verdachte bij de berekening uitgegaan van vijf eerdere oogsten.

BESLISSING

Het hof:
Bevestigt het vonnis waarvan beroep met inachtneming van het hiervoor overwogene.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M.F.J.M. de Werd, mr. E. Mijnsberge en mr. B.E. Dijkers, in tegenwoordigheid van mr. G.G. Gielen, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 27 februari 2024.
Mr. Mijnsberge is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.