Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.Het geschil in hoger beroep
4.Beoordeling van het hoger beroep
Kamerstukken II1999-2000, 28 862, nr. 3, p. 10).
Gerechtshof Amsterdam
Partijen zijn in 2016 gehuwd in Polen en hebben beiden de Poolse nationaliteit. De vrouw heeft in juni 2022 een verzoek tot echtscheiding ingediend, waarna het huwelijk in juli 2023 is ontbonden. In eerste aanleg werd haar verzoek om vergoeding van hypotheekkosten en energiekosten afgewezen. De vrouw kwam hiertegen in hoger beroep.
De vrouw vordert vergoeding van €5.464,25 aan hypotheekkosten en €1.161,60 aan kosten voor begeleide opvang (DNO Doen). Het hof bevestigt de Nederlandse rechter bevoegd en Nederlands recht toepasselijk. De vrouw baseert haar vordering op artikel 1:84 BW Pro, dat de bijdrageplicht van echtgenoten in huishoudkosten regelt.
Het hof oordeelt dat de vrouw onvoldoende inzicht heeft gegeven in de totale huishoudkosten, wie welke kosten heeft gedragen, en de inkomens- en vermogenssituatie van partijen. Ook is onduidelijk welk deel van de hypotheekkosten betrekking had op rente versus aflossing, waarbij aflossing niet tot huishoudkosten behoort. Daarom wijst het hof de vordering tot vergoeding van hypotheekkosten af.
Voor de kosten van DNO Doen geldt hetzelfde oordeel. Daarnaast verklaart het hof het verzoek tot vergoeding op grond van onrechtmatige daad niet-ontvankelijk omdat dit niet voldoende samenhangt met het echtscheidingsverzoek en niet binnen de voorzieningen van artikel 827 lid 1 sub g Rv Pro valt.
De proceskosten worden gecompenseerd zodat ieder partij haar eigen kosten draagt. De uitspraak is gedaan door het Gerechtshof Amsterdam op 27 februari 2024.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek van de vrouw tot vergoeding van hypotheekkosten en kosten huishouding af en verklaart haar niet-ontvankelijk voor vergoeding op grond van onrechtmatige daad.