In deze zaak staat centraal of de onrechtmatige melding van strafrechtelijke persoonsgegevens van appellant door ABN AMRO Schadeverzekering N.V. (AAS) bij het fraudeloket van het Verbond van Verzekeraars heeft geleid tot de door appellant gestelde schade. Het hof bevestigt het eerdere oordeel dat AAS onrechtmatig heeft gehandeld met de melding, maar dat de vorderingen jegens ABN AMRO Bank N.V. (AAB) niet toewijsbaar zijn.
Appellant stelde acht schadeposten, waaronder dwangsommen vanwege het niet kunnen verkrijgen van een hypotheek, advocaatkosten, WAM-boetes en immateriële schade door aantasting van zijn eer en goede naam. AAS betwistte deze schadeposten gemotiveerd en stelde dat de melding geen rol heeft gespeeld bij de hypotheekbeslissingen en dat het fraudeloket geen informatie verstrekt aan andere verzekeraars.
Het hof concludeert dat appellant onvoldoende concrete feiten en omstandigheden heeft gesteld om de causaliteit tussen de melding en de schade aannemelijk te maken. Ook de immateriële schade wordt verworpen omdat de melding niet openbaar was voor derden. De schadeposten worden daarom niet toegewezen. De proceskosten worden tussen partijen gecompenseerd, met een veroordeling van appellant in de kosten tegen AAB.
Het arrest bevestigt de onrechtmatigheid van de melding, maar wijst de schadevorderingen af vanwege gebrek aan bewijs en causaliteit. Het hof wijst het verzoek tot rectificatie en heropening van bindende beslissingen af. Hiermee wordt het vonnis van de rechtbank in stand gehouden, behoudens de proceskostenveroordeling.