De zaak betreft een klacht van een zoon (klager) tegen een oud-notaris over het passeren van het levenstestament van zijn moeder. Klager stelde dat de notaris onvoldoende zorgvuldig de wilsbekwaamheid van zijn moeder had getoetst bij het opstellen van het levenstestament op 30 maart 2021.
In eerste aanleg verklaarde de kamer voor het notariaat de klacht niet-ontvankelijk omdat klager geen redelijk belang had. Klager was niet betrokken bij het levenstestament en had geen aanwijzingen dat hij als gevolmachtigde was aangewezen. Het hof bevestigde deze beslissing na behandeling in hoger beroep.
Het hof overwoog dat het begrip redelijk belang ruim moet worden opgevat, maar dat dit belang in deze zaak onvoldoende was aangetoond. Klager was niet betrokken bij het levenstestament, noch uitgenodigd bij de besprekingen, en zijn emotionele band met zijn moeder was onvoldoende. De klacht werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en de bestreden beslissing bevestigd.