Het gerechtshof Amsterdam heeft op 30 oktober 2024 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2023. De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor doodslag, verkrachting en het opzettelijk wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden van een persoon. De verdachte was in eerste aanleg vrijgesproken van één van de tenlastegelegde feiten, maar het hof verklaarde hem niet-ontvankelijk in hoger beroep tegen die vrijspraak.
Tijdens het hoger beroep heeft het hof het vonnis van de rechtbank vrijwel integraal bevestigd. De bewezenverklaring van de feiten werd gehandhaafd, met uitzondering van de kwalificatie van het wederrechtelijk vrijheidsberoven, die werd aangepast naar het opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en beroofd houden. Tevens werd een beslagbeslissing vernietigd en werd gelast het in beslag genomen voorwerp, een tas, terug te geven aan de verdachte.
Het hof benadrukte dat een integrale bevestiging van een vonnis in een zaak met een omvangrijk en grondig verweer van de verdediging teleurstellend kan zijn, maar dat dit past binnen het karakter van het voortbouwend appel en de voorkeur van de wetgever. De straf blijft ongewijzigd: 12 jaren gevangenisstraf met TBS met dwangverpleging. De verwijzingen naar bewijsmiddelen in het vonnis werden op enkele punten verduidelijkt en verbeterd.