Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.De zaak in het kort
2.Het geding in hoger beroep
3.Feiten
€ 167.900.
4.Eerste aanleg
5.Beoordeling
7.004,00(tarief VII, 2 punten à € 3.502)
Gerechtshof Amsterdam
In deze zaak vordert een fysiotherapeut schadevergoeding van ABN AMRO wegens vermeende schending van de zorgplicht bij kredietverstrekking. De ondernemer sloot in 2008 een kredietovereenkomst met de bank voor de uitbreiding van zijn praktijk, waarbij hij ook privévermogen als zekerheid stelde. Na tegenvallende omzet vroeg hij om betaalpauzes, die de bank toestond.
De rechtbank wees de vordering af en het hoger beroep bevestigt dit oordeel. Het hof oordeelt dat de kredietverstrekking een zakelijke achtergrond heeft en dat de bank haar zorgplicht niet heeft geschonden. De bank heeft een eigen analyse gemaakt van het bedrijfsplan en niet uitsluitend op het advies van een derde partij vertrouwd. Het inherente ondernemersrisico kan niet worden afgewenteld op de bank.
De grieven van de ondernemer falen, ook zijn stelling dat de bank als adviseur heeft opgetreden wordt verworpen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en veroordeelt de ondernemer in de proceskosten van het hoger beroep.
Uitkomst: De vordering van de ondernemer tot schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht door ABN AMRO wordt afgewezen.