ECLI:NL:GHAMS:2024:2790
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot opheffing bewind en benoeming dochter als bewindvoerder
De zaak betreft het hoger beroep tegen de beschikking van de kantonrechter Amsterdam van 15 januari 2024, waarin het verzoek tot opheffing van het bewind over de goederen van de rechthebbende, dan wel ontslag van de huidige bewindvoerder en benoeming van de dochter als bewindvoerder, werd afgewezen.
De rechthebbende is sinds 2015 onder bewind gesteld vanwege zijn lichamelijke en geestelijke toestand en problematische schulden. Appellanten betogen dat de grondslag voor het bewind onjuist is vastgesteld en dat de dochter geschikt is als bewindvoerder. De bewindvoerder handhaaft de huidige situatie en stelt dat de grondslagen nog steeds aanwezig zijn.
Het hof oordeelt dat beide grondslagen voor het bewind nog steeds gelden, gelet op medische klachten en het onvermogen van de rechthebbende om zijn financiën verantwoord te beheren, zoals blijkt uit het mislukte zelfredzaamheidstraject en de snelle verkwisting van spaargeld.
Het verzoek tot benoeming van de dochter als bewindvoerder wordt afgewezen omdat zij niet geschikt wordt geacht, en ook het verzoek tot benoeming van een andere professionele bewindvoerder wordt niet toegewezen vanwege de goede relatie tussen de huidige bewindvoerder en de rechthebbende.
Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: Het hof wijst het verzoek tot opheffing van het bewind en benoeming van de dochter als bewindvoerder af en bekrachtigt de bestreden beschikking.