Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
[de zoon] ,
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een geschil over de bijdrage van de vader in de kosten van levensonderhoud en studie van zijn zoon, die jongmeerderjarig is en onder bewind staat. De rechtbank wees het verzoek van de zoon af wegens onvoldoende stelplicht omtrent zijn behoefte. De bewindvoerder, handelend namens de zoon, ging in hoger beroep en overlegt bewijs van de behoefte.
Het hof stelt de ingangsdatum van de bijdrage vast op 28 april 2023, omdat de vader pas vanaf dat moment daadwerkelijk rekening kon houden met een bijdrageverplichting. De zoon was in deze periode negentien jaar oud, stond nog ingeschreven als student maar volgde geen onderwijs meer, en ontving geen structureel inkomen. Het hof baseert de behoefte op de normbedragen uit de Wet studiefinanciering, met correcties voor niet-gemaakte studiekosten en ontvangen tegemoetkomingen.
De vader is zzp’er met een gemiddeld netto besteedbaar inkomen van €2.506 per maand, waaruit een draagkracht van €405 per maand volgt. De moeder heeft een beperkte draagkracht van €50 per maand. Het hof houdt rekening met het feit dat de vader ook de kosten van de minderjarige dochter draagt en dat het kindgebonden budget daarvoor wordt gebruikt. Uiteindelijk bepaalt het hof dat de vader een bijdrage van €405 per maand aan de zoon moet betalen over de relevante periode.
De beschikking van de rechtbank wordt vernietigd en het hoger beroep wordt gegrond verklaard. De bijdrage wordt vastgesteld en de beschikking is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De vader moet een bijdrage van €405 per maand betalen voor de kosten van levensonderhoud en studie van zijn zoon over de periode 28 april tot 3 november 2023.