Op 6 maart 2020 heeft de verdachte te Amsterdam handelingen gepleegd die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van een minderjarige onder de twaalf jaar. Daarnaast heeft hij op 26 augustus 2020 mishandeling gepleegd door het slachtoffer opzettelijk in de rug te trappen.
Het hof heeft het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 29 juli 2022 in hoger beroep bevestigd. Hierbij heeft het hof de bewijsoverweging en de bewijsmiddelen met betrekking tot het seksueel binnendringen aangevuld en de motivering van de straf en maatregelen verduidelijkt. Tevens heeft het hof de overweging omtrent de vordering van de benadeelde partij vervangen door een eigen overweging.
De verdediging voerde aan dat vrijspraak moest volgen vanwege het ontbreken van een DNA-match, maar het hof oordeelde dat het tijdsverloop en het spoelen van de mond door het slachtoffer dit verklaarden. Het bewijs werd als wettig en overtuigend beoordeeld. De vordering tot immateriële schadevergoeding van € 5.500,00 wegens geestelijk letsel werd toegewezen. De maatregel tot contactverbod met het slachtoffer wordt bevestigd voor een totale duur van vijf jaar, ingaande vanaf het vonnis van de rechtbank.