In deze strafzaak heeft het gerechtshof Amsterdam op 22 augustus 2024 uitspraak gedaan over de ontvankelijkheid van het hoger beroep van de officier van justitie tegen een vonnis van de politierechter. De officier van justitie had het hoger beroep ingesteld tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het Openbaar Ministerie in de vervolging van bepaalde feiten, maar diende de schriftuur houdende grieven (appelmemorie) niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van veertien dagen in.
De appelmemorie werd pas vijf dagen te laat ontvangen, wat door de advocaat-generaal werd betoogd als verschoonbaar vanwege de geringe overschrijding in een vakantieperiode en de ernst van de verdenking. Het hof oordeelde echter dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was en dat het belang van de strafrechtelijke rechtshandhaving niet zwaarder woog dan het belang van het sanctioneren van het verzuim.
Daarom verklaarde het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep. De straffen opgelegd voor de andere feiten waren reeds onherroepelijk geworden, zodat het hoger beroep slechts betrekking had op de niet-ontvankelijkverklaring. Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam.