Uitspraak
1.Het geding in hoger beroep
2.Feiten
3.Beoordeling
€ 19.371,86 aan haar terug te betalen, naast een bedrag van € 968,72 aan buitengerechtelijke kosten.
Gerechtshof Amsterdam
Partijen sloten op 11 november 2021 een overeenkomst voor levering en plaatsing van een dakopbouw tegen een totaalprijs van €61.100 exclusief btw. De aannemer factureerde een eerste termijn van €36.965,50 inclusief btw, waarvan de opdrachtgever €19.371,86 betaalde. De opdrachtgever ontbond de overeenkomst op grond van het herroepingsrecht en vorderde terugbetaling van het aanbetaalde bedrag.
De kantonrechter wees zowel de vordering van de opdrachtgever als de tegenvordering van de aannemer af, waarbij de aannemer geen spoedeisend belang had bij zijn vordering in kort geding. In hoger beroep stelde de aannemer dat hij spoedeisend belang had omdat de dakopbouw ruimte in beslag nam en hij daardoor geen andere opdrachten kon uitvoeren. Het hof oordeelde dat deze situatie niet meer aan de orde was en dat ook geen spoedeisend belang bestond voor betaling van het restantbedrag.
De opdrachtgever stelde eveneens geen spoedeisend belang meer te hebben, omdat zij het geleende bedrag inmiddels had terugbetaald en de dakopbouw door een andere aannemer was geplaatst. Het hof concludeerde dat ook voor haar vordering het spoedeisend belang ontbrak.
Daarom werd het bestreden vonnis bekrachtigd en werden de vorderingen in hoger beroep afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd, zodat iedere partij de eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen af wegens ontbreken van spoedeisend belang.