De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het opzettelijk invoeren van 2,268 kilogram karkovlees en 2,800 kilogram leguanenvlees zonder de vereiste invoervergunning, in strijd met de Wet natuurbescherming en EU-verordeningen. In hoger beroep vernietigde het hof het vonnis van de economische politierechter en kwam tot een eigen oordeel.
Het hof oordeelde dat de dagvaarding geldig was ondanks de overgang van de Wet natuurbescherming naar de Omgevingswet, omdat de strafbaarheid van het feit ongewijzigd bleef. De verdachte bekende de invoer en het hof stelde vast dat sprake was van kleurloos opzet, waarbij de verdachte geen wetenschap hoefde te hebben van het strafbare karakter van zijn handelen.
Het beroep op afwezigheid van alle schuld wegens dwaling werd verworpen, aangezien de verdachte zich had moeten oriënteren op de invoerregels binnen de EU. Het hof legde een geheel voorwaardelijke geldboete van €500 op met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de ernst van het feit, de omstandigheden en de draagkracht van de verdachte.