Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.Het verdere verloop in het incident
2.De verdere beoordeling
Partijen hebben zich na het tussenarrest uitgelaten over de relevante inhoud van dit toepasselijk recht.
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele procedure stond centraal de vraag of de advocaat bevoegd was om namens Monticello hoger beroep in te stellen. De Ontvanger voerde aan dat de instructie tot hoger beroep was gegeven door een persoon die niet rechtsgeldig bestuurder was. Het hof onderzocht of deze persoon, hoewel formeel niet benoemd, als de facto bestuurder kon worden aangemerkt volgens het recht van Isle of Man.
Het hof stelde vast dat de persoon in kwestie de uiteindelijke belanghebbende was en feitelijk het bestuur van Monticello voerde, waaronder het ontslaan van formeel benoemde bestuurders. Op grond van art. 221 lid 1 en Pro art. 100 van Pro de Companies Act 2006 was deze persoon een de facto bestuurder en dus bevoegd de vennootschap te vertegenwoordigen en instructies te geven.
De vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep werd daarom afgewezen. Daarnaast werd het bezwaar tegen te late producties van de Ontvanger deels gehonoreerd. De hoofdzaak is verwezen naar de rol voor het nemen van een memorie van grieven, waarbij de procedure wordt voortgezet. De beslissing over de proceskosten in het incident is aangehouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.
Uitkomst: De vordering tot niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep is afgewezen omdat de de facto bestuurder bevoegd was tot instructie.