ECLI:NL:GHAMS:2024:1201
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake gebreken aan badkamer na verbouwing en installatie
Appellante had een badkamer gekocht en laten installeren door geïntimeerden en klaagde over gebreken zoals waterplassen na het douchen en een niet-functionerende stoomunit. De kantonrechter oordeelde dat er geen gebreken waren en wees de vorderingen af. In hoger beroep bevestigt het hof dit oordeel.
Het hof stelde vast dat het rapport van ZNEB, waarop appellante zich beroept, onvoldoende overtuigend was omdat geïntimeerden niet waren betrokken bij het onderzoek en het rapport onduidelijk bleef over de meetmethoden. De descente toonde aan dat het afschot van de douchevloer correct was. Ook de scharnieren en de stoomunit werden niet als gebrekkig aangemerkt.
Verder werd geoordeeld dat de ventilatie van de stoomcabine volgens de voorschriften was geïnstalleerd en dat de vordering voor schade aan de vloerverwarming niet toewijsbaar was omdat appellante geïntimeerden geen gelegenheid had gegeven de gebreken te herstellen. De aanvullende eiswijzigingen werden afgewezen omdat er geen gebreken waren vastgesteld en geen schending van de waarschuwingsplicht.
De bewijsaanbiedingen waren onvoldoende concreet om tot een ander oordeel te leiden. Het hof bekrachtigde het vonnis van de kantonrechter en veroordeelde appellante in de kosten van het geding in hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellante af wegens het ontbreken van gebreken.