Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
vennoot van [bedrijf] , in haar hoedanigheid van bewindvoerder van [Y],
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele procedure vordert appellant voortzetting van de huurovereenkomst van de woning die zijn moeder huurde. De moeder van appellant is in 2020 overleden. Appellant stelt dat hij met zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerde, waardoor hij de huurovereenkomst op grond van artikel 7:268 lid 1 BW Pro mag voortzetten. De kantonrechter wees deze vordering af en kende Stadgenoot, de verhuurder, toe de woning te ontruimen en de huurachterstand te betalen.
In hoger beroep betoogt appellant dat er wel degelijk sprake was van een duurzame gemeenschappelijke huishouding. Het hof stelt vast dat appellant een verzwaarde stelplicht heeft en dat hij onvoldoende concreet heeft gesteld wat de intentie was en waaruit die blijkt. Bovendien blijkt uit nieuwe feiten dat appellant sinds 2008 niet continu bij zijn moeder woonde, maar ook elders met partners en gezin ingeschreven stond. Dit ondermijnt het bestaan van een duurzame gemeenschappelijke huishouding.
Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende heeft aangetoond dat hij en zijn moeder een duurzame gemeenschappelijke huishouding voerden. De vordering wordt daarom afgewezen en het vonnis van de kantonrechter wordt bekrachtigd. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot voortzetting van de huurovereenkomst af wegens ontbreken duurzame gemeenschappelijke huishouding.