Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[geïntimeerde 1] ,
[geïntimeerde 2],
1.Het verloop van het geding in hoger beroep
2.De feiten
3.De beoordeling
mede-eigenaar meer was van de woning en aan [appellant] gevraagd op welk rekeningnummer en per welke datum de huur aan hem moest worden overgemaakt. Bij e-mailbericht van 28 april 2016 heeft [appellant] hierop geantwoord en daarbij opgaaf gedaan van zijn bankrekeningnummer, en onder meer geschreven dat met ingang van de maand mei de huur op dit nummer kon worden overgemaakt. Vervolgens hebben [geïntimeerden] de huur met ingang van de maand mei 2016 niet langer aan [naam 1] , maar aan [appellant] , betaald, is [appellant] zich van zijn kant jegens [geïntimeerden] ook als verhuurder gaan gedragen en zijn [geïntimeerden] dat van hun kant ook als huurder gaan doen (zie o.m. het e-mailbericht van [appellant] aan [naam 2] van 5 mei 2016 alsmede de e-mailwisseling tussen [appellant] en [geïntimeerde 2] en [appellant] en [naam 2] vanaf juni 2016, productie 9 [appellant] in eerste aanleg).
grief 1en
grief 2gegrond zijn.
grief 3faalt. Dit betekent dat aan een belangenafweging niet wordt toegekomen en dat ook het hof de vordering van [appellant] tot vaststelling van het tijdstip waarop de huurovereenkomst met betrekking tot de woning eindigt, zal afwijzen, zij het op andere gronden dan de kantonrechter heeft gedaan.