Uitspraak
).
Gerechtshof Amsterdam
Uit een verbroken relatie van de ouders is een minderjarige geboren in 2018, die bij de moeder verblijft. De vader en zijn vriendin hebben sinds 2019 een relatie en wonen samen sinds 2020. De vader en vriendin verzochten om een omgangsregeling met de minderjarige, welke door de rechtbank werd afgewezen wegens het ontbreken van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de vriendin en de minderjarige.
In hoger beroep stelden de vader en vriendin dat er wel degelijk sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking en dat de omgangsregeling tijdens de detentie van de vader ongewijzigd moet blijven, met contactmomenten tussen de vriendin en de minderjarige. De moeder betwistte dit en stelde dat de vriendin geen zelfstandige zorg- en opvoedingstaken heeft en geen rechten of plichten ten aanzien van de minderjarige.
Het hof overwoog dat zonder biologische verwantschap strenge eisen gelden voor het aannemen van een nauwe persoonlijke betrekking. Hoewel er contact is tussen de vriendin en de minderjarige tijdens omgangsmomenten, is dit contact afgeleid van de omgang met de vader en niet voldoende voor het aannemen van 'family life' of een nauwe persoonlijke betrekking. Ook is niet gebleken dat het contact een belangrijk deel van de identiteit van de vriendin vormt. Daarom is het verzoek niet-ontvankelijk.
Ten aanzien van de proceskosten vernietigde het hof het eerdere oordeel dat de vader en vriendin deze moesten dragen en bepaalde dat iedere partij haar eigen kosten draagt. De bestreden beschikking wordt in zoverre bekrachtigd.
Uitkomst: Verzoek tot omgangsregeling tussen vriendin van vader en minderjarige wordt niet-ontvankelijk verklaard en bestreden beschikking bekrachtigd met aangepaste proceskostenverdeling.