ECLI:NL:GHAMS:2023:513
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging afwijzing verjaringseis eigendom houtwal tussen percelen
Appellant vorderde dat hij door onafgebroken bezit gedurende meer dan twintig jaar eigenaar was geworden van een strook grond (de houtwal) tussen zijn perceel en dat van geïntimeerde. De kantonrechter wees deze vordering af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij de houtwal met eigendomspretentie in bezit had genomen. Het hof bevestigt dit oordeel en overweegt dat de erfgrens zoals vastgesteld door het kadaster in 2019 de juridische grens is.
Appellant stelde primair te goeder trouw en onafgebroken bezit te hebben gehad gedurende tien jaar, gesteund op een zichtbare erfafscheiding. Het hof oordeelt dat appellant onvoldoende heeft onderbouwd dat hij de houtwal als eigenaar in bezit had, mede omdat hij zelf verklaarde dat de erfgrens in het midden van de eikenbomen lag en dat deze bomen als erfafscheiding dienden.
Verder concludeert het hof dat de houtwal een natuurlijk begroeide strook is, die door beide partijen in stand werd gehouden en dat de door appellant aangevoerde bezitshandelingen zoals onderhoud, aanplant van ligusters, aanleg van een beregeningsinstallatie en het spelen van kinderen onvoldoende zijn om eigendomspretentie aan te nemen.
De grieven van appellant falen en het hof bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter. Appellant wordt veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vorderingen van appellant af wegens onvoldoende bezitshandeling en eigendomspretentie.