ECLI:NL:GHAMS:2023:449
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bekrachtiging vonnissen wegens onvoldoende bewijs mondelinge geldleningsovereenkomst
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of appellant een mondelinge geldleningsovereenkomst van € 20.000,- met geïntimeerde had gesloten voorafgaand aan december 2018. Het hof heeft in een tussenarrest appellant toegelaten tot bewijslevering door het horen van een getuige, zijn accountant.
De getuige verklaarde echter dat hij uit eigen wetenschap niets wist over de geldleningsovereenkomst en zijn kennis uitsluitend gebaseerd was op wat appellant hem had verteld. Ook over een telefonisch gesprek dat appellant zou hebben gevoerd met geïntimeerde kon de getuige geen zekerheid geven, mede omdat het gesprek in het Arabisch was en hij de inhoud niet kon verstaan. Tevens had de getuige niet gezien dat appellant geld aan geïntimeerde had verstrekt.
Op grond van deze verklaringen oordeelde het hof dat appellant niet is geslaagd in zijn bewijsopdracht. Het hof stelde vast dat niet is komen vast te staan dat er een mondelinge geldleningsovereenkomst was gesloten. Gezien het voorgaande en het eerdere tussenarrest faalden de grieven van appellant en werden de vonnissen waarvan beroep bekrachtigd. Appellant werd veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt de vonnissen en wijst het beroep van appellant af wegens onvoldoende bewijs van de geldleningsovereenkomst.