De verdachte heeft zich gedurende bijna een jaar schuldig gemaakt aan het organiseren en aanwezig zijn bij vijf hondengevechten, wat tevens dierenmishandeling inhoudt. Daarnaast had zij verboden diergeneesmiddelen in bezit. De rechtbank veroordeelde haar tot een taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf met een hondenhoudverbod.
In hoger beroep bevestigde het hof de bewezenverklaring van de feiten, maar matigde de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn. Het hof legde een taakstraf van 200 uren op en een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden met een proeftijd van twee jaar. Het gevorderde hondenhoudverbod werd niet opgelegd omdat dit niet noodzakelijk werd geacht voor goed levensgedrag of maatschappelijke betamelijkheid.
De verdachte toonde inzicht in haar laakbare handelen en er was geen concrete vrees voor herhaling. De honden verkeerden bij controles in goede conditie. Het hof oordeelde dat de straf passend was gezien de ernst van de feiten, het tijdsverloop en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.
De zaak illustreert de bijzondere verantwoordelijkheid van mensen in de omgang met dieren en het belang van naleving van Europese regelgeving omtrent diergeneesmiddelen. Het vonnis benadrukt ook het belang van proportionele strafoplegging en het respecteren van redelijke termijnen in strafzaken.