Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van het organiseren van hondengevechten, dierenmishandeling en gerelateerde strafbare feiten. Tevens werd een ontnemingsvordering van €9.681,00 opgelegd.
In hoger beroep werd de ontnemingsvordering herzien op basis van een uitgebreide kasopstelling die het wederrechtelijk verkregen voordeel berekende. De verdediging voerde aan dat geen sprake was van wederrechtelijk voordeel en dat legale inkomsten onvoldoende waren meegenomen, waaronder giften en leningen van familie en vrienden. Het hof verwierp het verweer dat het voordeel niet aannemelijk was en nam een bedrag van €3.369,00 aan legale inkomsten mee, waarbij opbrengsten uit hondenhandel niet als legaal werden erkend.
De kasopstelling resulteerde in een vastgesteld wederrechtelijk verkregen voordeel van €6.312,12. Ondanks een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg en hoger beroep, zag het hof hiervan af om de betalingsverplichting te matigen, aangezien de termijnoverschrijding reeds in de strafzaak was gecompenseerd. Het hof vernietigde het vonnis van beroep en legde de betalingsverplichting tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van €6.312,12 op, met een gijzelingstermijn van maximaal 126 dagen.