ECLI:NL:GHAMS:2023:3759
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing ontnemingsvordering wegens onvoldoende bewijs wederrechtelijk verkregen voordeel
Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin de betrokkene was veroordeeld voor medeplegen van het fokken van honden met agressieve karaktereigenschappen en bedrijfsmatig fokken en handelen in honden. De rechtbank had tevens een ontnemingsvordering van € 12.360,00 toegewezen.
In hoger beroep stelde het openbaar ministerie dat het wederrechtelijk verkregen voordeel € 12.360,00 bedroeg en vorderde betaling van € 11.360,00. De verdediging voerde aan dat er onvoldoende bewijs was dat de betrokkene voordeel had behaald uit criminele activiteiten, mede omdat familieverklaringen kleine geldbedragen als gewone schenkingen aanwezen.
Het hof oordeelde dat voor ontneming op grond van art. 36e lid 3 Sr vereist is dat de betrokkene is veroordeeld voor een misdrijf waarvoor een geldboete van de vijfde categorie kan worden opgelegd. Dit was niet het geval, aangezien de feiten maximaal een boete van de vierde categorie toelaten. Verder kon het hof niet met voldoende zekerheid vaststellen dat het onverklaarbare vermogen van de betrokkene uit de bewezenverklaarde feiten voortkwam.
Daarom vernietigde het hof het vonnis voor wat betreft de ontnemingsvordering en wees deze af. Het arrest werd uitgesproken op 13 april 2023 door de economische kamer van het gerechtshof Amsterdam.
Uitkomst: De ontnemingsvordering wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van wederrechtelijk verkregen voordeel.