De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het plegen van oplichting door middel van een babbeltruc bij een toen 87-jarige licht dementerende vrouw. Op 29 december 2018 deed zij zich voor als een oud-buurtbewoner en overtuigde het slachtoffer om geld te geven onder het voorwendsel dat het voor een etentje was en dat het de volgende dag zou worden terugbetaald. Het totaalbedrag bedroeg ongeveer €650.
Het hof achtte wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich wederrechtelijk heeft bevoordeeld door listige kunstgrepen en veroordeelde haar tot een taakstraf van 80 uren, te vervangen door 40 dagen hechtenis. Hierbij werd rekening gehouden met de ernst van het feit, de kwetsbaarheid van het slachtoffer, de eerdere veroordelingen van de verdachte en haar persoonlijke omstandigheden, waaronder middelen- en psychische problematiek.
De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €1.170, waarvan het hof €1.150 toewijst, bestaande uit €650 materiële en €500 immateriële schade. De immateriële schade werd erkend vanwege de aanzienlijke achteruitgang in de gezondheid en het vertrouwen van het slachtoffer. De verdachte werd verplicht deze schade te vergoeden met wettelijke rente vanaf 29 december 2018.
Het hof vernietigde het vonnis van de politierechter om proceseconomische redenen en deed opnieuw recht, waarbij het bewezenverklaarde werd bevestigd en het overige werd vrijgesproken. De straf en schadevergoeding werden passend geacht gelet op de omstandigheden en de persoonlijke situatie van de verdachte.