Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:GHAMS:2023:3528

Gerechtshof Amsterdam

Datum uitspraak
28 december 2023
Publicatiedatum
28 december 2023
Zaaknummer
23-000277-22
Instantie
Gerechtshof Amsterdam
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 36e SrArt. 422 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplichtigheid telen hennep en ontneming wederrechtelijk voordeel

Betrokkene werd in eerste aanleg veroordeeld voor medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep en tot betaling van €14.320 aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep vernietigt het hof dit vonnis en komt tot een andere beslissing.

Het hof stelt vast dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan medeplichtigheid aan het telen van hennep door haar woning ter beschikking te stellen. Dit blijkt uit onderzoek naar vier eerdere oogsten van hennep in haar woning, waarbij zij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. De schatting van het voordeel is gebaseerd op verklaringen van betrokkenen en onderzoeksbevindingen.

Het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt vastgesteld op €6.000, zijnde €1.500 per oogst voor vier oogsten. Betrokkene wordt verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen. Het hof wijst verzoeken af om kosten in mindering te brengen wegens onvoldoende onderbouwing. De duur van gijzeling wordt vastgesteld op maximaal 120 dagen.

Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 28 december 2023.

Uitkomst: Betrokkene is veroordeeld tot betaling van €6.000 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel wegens medeplichtigheid aan hennepteelt.

Uitspraak

afdeling strafrecht
parketnummer: 23-000277-22
datum uitspraak: 28 december 2023
TEGENSPRAAK
Verkort arrest van het gerechtshof Amsterdam gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Noord-Holland van 31 januari 2022 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht (Sr) in de ontnemingszaak met parketnummer 15-323815-20 tegen de betrokkene
[verdachte01],
geboren te [geboorteplaats01] op [geboortedatum01] 1969,
adres: [adres01] .

Procesgang

Het openbaar ministerie heeft in eerste aanleg (uiteindelijk) gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat op een bedrag van € 18.842,10.
De betrokkene is bij vonnis van de politierechter van 31 januari 2022 veroordeeld ter zake van het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep.
Voorts heeft de politierechter bij vonnis van 31 januari 2022 de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 14.320,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 28 december 2023 veroordeeld ter zake van medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van hennep.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
14 december 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere beslissing komt dan de politierechter.

Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting wordt opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 17.900,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel en zich daarbij gebaseerd op de ontnemingsrapportage.
De raadsman heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld – voor het geval de betrokkene in de strafzaak niet wordt vrijgesproken – dat het wederrechtelijk verkregen voordeel moet worden vastgesteld op een bedrag van € 1.433,95 en dat de betalingsverplichting op nihil moet worden gesteld, vanwege de huidige en te verwachten financiële draagkracht (concrete betaalcapaciteit) van de betrokkene.
Het hof overweegt als volgt.
Grondslag
Bij arrest van het hof in de strafzaak van heden is de betrokkene veroordeeld voor het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van 166 hennepplanten op 21 augustus 2019. Niet is gebleken dat de betrokkene uit dit feit voordeel heeft verkregen.
Op grond van artikel 36e lid 2 Sr kan echter ook voordeel worden ontnomen dat is verkregen door middel van of uit de baten van andere strafbare feiten, waaromtrent voldoende aanwijzingen bestaan dat zij door de veroordeelde zijn begaan.
Het hof is van oordeel dat voldoende aanwijzingen in voornoemde zin bestaan dat de betrokkene zich in de periode voorafgaand aan 21 augustus 2019 tenminste schuldig heeft gemaakt aan (kort gezegd) medeplichtigheid aan het telen van hennep door het ter beschikking stellen van haar woning.
Naar het oordeel van het hof staat buiten redelijke twijfel vast dat in de periode voorafgaand aan het bewezenverklaarde feit vier (4) geslaagde oogsten van de hennepkwekerij in de woning van de betrokkene zijn gerealiseerd en dat zij daarbij - gelet op de onderzoeksbevindingen in het strafdossier - strafbare betrokkenheid heeft gehad, waaruit zij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen.
Het hof baseert zich hierbij op het proces-verbaal van bevindingen inzake de zogenoemde indicatoren (dossierpagina 105 e.v.) en het proces-verbaal van bevindingen inzake het waterverbruik (dossierpagina 157 e.v.). Daarbij acht het hof het, mede gelet op de waarnemingen van de verbalisanten, volstrekt onaannemelijk dat de betrokkene niets zou hebben gehoord of geroken, dan wel niets zou hebben gemerkt van het opzetten van en vervolgens in stand houden van de hennepkwekerij.
Berekening
Naar vaste rechtspraak komt voor ontneming in aanmerking voordeel dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. De schatting van dit voordeel dient te worden ontleend aan ten minste één wettig bewijsmiddel.
Gezien de stukken van het strafdossier en gelet op het verhandelde ter terechtzitting gaat het hof ervan uit dat de exploitanten van de hennepkwekerij in de woning van de betrokkene, dezelfde personen zijn als die ook de hennepkwekerij in de woning van één van de dochters van de betrokkene, hebben geëxploiteerd, welke kwekerij eveneens op 21 augustus 2019 is ontmanteld.
Deze dochter van de betrokkene, [naam01] , en haar vriend, [naam02] , hebben verklaard dat zij voor het ter beschikking stellen van de zolderruimte in de woning een bedrag van € 1.500,00 per oogst hebben ontvangen (exclusief bijdragen ten behoeve van Liander).
Het hof ziet aanleiding om bij de berekening van het voordeel van de betrokkene hierbij aan te sluiten, te weten € 1.500,00 per oogst. Nu het hof ervan uitgaat dat vier eerdere oogsten hebben plaatsgevonden, zal dit bedrag met vier vermenigvuldigd worden. Zodoende schat het hof het wederrechtelijk verkregen voordeel op een bedrag van € 6.000,00.
Kosten
De raadsman heeft bepleit om op het voordeel de openstaande schulden van de betrokkene bij Liander en PWN in mindering te brengen, als zijnde – zo begrijpt het hof – kosten ten behoeve van de (illegale) afname van elektriciteit en (legale) afname van water, ten behoeve van de kwekerij.
Het hof volgt de raadsman hierin niet, omdat op dit moment onvoldoende is gebleken en onderbouwd of en zo ja in hoeverre deze kosten zijn betaald en welk deel van deze kosten (waarin bijvoorbeeld tevens incassokosten, heraansluitingskosten en een nieuw termijnbedrag zijn opgenomen) als kosten moeten worden aangemerkt die in directe relatie staan tot de verwezenlijking van het vermelde voordeel.

Verplichting tot betaling aan de Staat

Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door haar wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 6.000,00.
Naar het oordeel van het hof doet zich thans niet de situatie voor dat aannemelijk is dat de betrokkene nu en in de toekomst over onvoldoende draagkracht zal beschikken om aan deze betalingsverplichting te voldoen.

Toepasselijk wettelijk voorschrift

De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van
€ 6.000,00 (zesduizend euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot
betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van
€ 6.000,00 (zesduizend euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 120 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam, waarin zitting hadden mr. B.E. Dijkers, mr. R.D. van Heffen en mr. S. Jongeling, in tegenwoordigheid van
mr. R. Vosman, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van
28 december 2023.
mrs. Dijkers, Jongeling en Vosman zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.