Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
1.[appellant 1], en
[appellante 2],
Vrijdag webinar: live demo van Lexboost
Gerechtshof Amsterdam
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de echtgenote van appellanten vóór 13 maart 2000 op de hoogte was van een effectenleaseovereenkomst (leaseovereenkomst II) uit 1998. Het hof heeft in een eerder tussenarrest een bewijsvermoeden aangenomen dat zij reeds vóór die datum kennis had van de overeenkomst. Appellanten kregen de gelegenheid om dit bewijsvermoeden te ontzenuwen door middel van schriftelijke en getuigenverklaringen.
Na het horen van de echtgenoten als getuigen concludeert het hof dat de verklaringen onvoldoende betrouwbaar en consistent zijn om het bewijsvermoeden te weerleggen. Er zijn tegenstrijdigheden tussen de schriftelijke verklaringen en de getuigenverklaringen, onder meer over het bestaan en gebruik van een en/of-rekening en het moment waarop kennis van de leaseovereenkomst werd verkregen.
Het hof acht het waarschijnlijk dat de schriftelijke verklaringen op elkaar zijn afgestemd, wat de geloofwaardigheid aantast. Ook is niet duidelijk welke delen van de getuigenverklaringen eigen herinneringen betreffen en welke het resultaat zijn van onderlinge afstemming. Hierdoor blijft het bewijsvermoeden ten gunste van Dexia Nederland B.V. in stand.
Gelet hierop is de vordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst verjaard op de datum van de vernietigingsbrief in 2006. Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep en veroordeelt appellanten in de kosten van het hoger beroep.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis en wijst de vordering tot vernietiging van de leaseovereenkomst af wegens niet ontzenuwd bewijsvermoeden.