De Vereniging van Eigenaren (VvE) van een pand aan de [straatnaam 1] te [plaats] vordert in hoger beroep het recht om een metalen trap en vluchtroute aan te leggen via de tuin van de buren ([geïntimeerden]). De VvE baseert haar vordering primair op een recht van nooduitgang uit de erfpachtakte en subsidiair op het recht op een noodweg en de artikelen 5:56 en 5:57 BW.
De kantonrechter wees de meeste vorderingen af omdat de voorgestelde route niet de minst bezwaarlijke wijze voor de buren is. Het hof bevestigt dit oordeel en oordeelt dat er geen sprake is van een noodweg omdat het pand geen ingesloten erf is en er een volwaardige vluchtweg via de voordeur bestaat. Wel bestaat een recht op nooduitgang uit de erfpachtakte, maar dit moet op de minst bezwaarlijke wijze voor de buren worden uitgeoefend.
De VvE stelde dat haar route veiliger en rechtlijniger is, maar het hof acht de onderbouwing onvoldoende en wijst op het ontbreken van onafhankelijke deskundige adviezen. Het hof concludeert dat de buren een bestaande volwaardige nooduitgang hebben en dat de VvE zelf aanpassingen kan doen om obstakels te verwijderen. De vorderingen worden afgewezen en de VvE wordt veroordeeld in de proceskosten.