ECLI:NL:GHAMS:2023:3054
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Verlenging machtiging uithuisplaatsing minderjarige bij vader afgewezen vanaf heden
De zaak betreft een hoger beroep tegen de verlenging van de machtiging tot uithuisplaatsing van een minderjarige bij zijn vader. De moeder verzet zich tegen de verlenging en stelt dat de vader niet meewerkt aan hulpverlening en contactherstel met haar blokkeert. De gecertificeerde instelling (GI) en de Raad voor de Kinderbescherming steunen de verlenging vanwege grote zorgen over de ontwikkeling van de minderjarige.
Het hof heeft vastgesteld dat de minderjarige sinds september 2021 bij de vader woont en dat er sprake is van loyaliteitsproblematiek waarbij de minderjarige geen contact met de moeder wenst. De minderjarige wil bij de vader blijven wonen en dit wordt door het hof meegewogen, mede gezien zijn leeftijd. Het hof acht een uithuisplaatsing elders schadelijk en niet in het belang van de minderjarige.
Hoewel de machtiging tot uithuisplaatsing tot 31 maart 2024 was verlengd, heeft het hof bij een separate beschikking het gezamenlijk gezag en de hoofdverblijfplaats bij de vader bekrachtigd, waardoor de machtiging vanaf heden niet meer nodig is. Het hof vernietigt daarom de machtiging tot uithuisplaatsing vanaf heden en wijst het verzoek tot verlenging vanaf heden af, maar bekrachtigt de beschikking voor de periode daarvoor.
Uitkomst: De machtiging tot uithuisplaatsing bij de vader wordt vanaf heden niet verlengd, maar de eerdere beschikking wordt bekrachtigd.