ECLI:NL:GHAMS:2023:3052
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Gezamenlijk gezag en hoofdverblijfplaats van minderjarige bij vader bevestigd
In deze civiele zaak staat het gezamenlijk gezag over een minderjarige en de vaststelling van diens hoofdverblijfplaats centraal. De moeder is in hoger beroep gekomen tegen de beschikking van de rechtbank die het gezamenlijk gezag aan de ouders toekent en de hoofdverblijfplaats bij de vader bepaalt. De vader woont sinds september 2021 met de minderjarige samen en heeft deze erkend.
De moeder voert aan dat er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de minderjarige klem raakt tussen de ouders en dat de vader zijn verplichtingen niet nakomt, waardoor gezamenlijk gezag niet passend is. Ook is zij van mening dat de hoofdverblijfplaats niet bij de vader moet zijn vanwege de ontwikkelingsbedreiging en het ontbreken van zicht op de situatie bij de vader. De GI en de Raad voor de Kinderbescherming adviseren eveneens tegen gezamenlijk gezag en het vaststellen van de hoofdverblijfplaats bij de vader.
Het hof oordeelt dat gezamenlijk gezag het uitgangspunt is en dat de vader een substantiële rol vervult in de verzorging en opvoeding. Het belang van de minderjarige wordt gediend met gezamenlijk gezag, mede om de GI in staat te stellen haar taak effectief uit te oefenen. De loyaliteitsproblematiek en het ontbreken van contact met de moeder zijn onvoldoende om gezamenlijk gezag te weigeren. De hoofdverblijfplaats wordt bevestigd bij de vader, omdat dit overeenkomt met de feitelijke situatie en de minderjarige daar zijn ontwikkelingstaken kan vervullen. Het hof bekrachtigt de bestreden beschikking en wijst het hoger beroep van de moeder af.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het gezamenlijk gezag en bepaalt dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarige bij de vader blijft.