ECLI:NL:GHAMS:2023:285
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ontnemingsvordering ondanks verjaring vervolging ondergronds bankieren
Het gerechtshof Amsterdam heeft op 3 februari 2023 het hoger beroep behandeld tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam van 12 juni 2015, waarin de betrokkene veroordeeld werd voor medeplegen van schuldwitwassen en ondergronds bankieren. Het openbaar ministerie vorderde ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel van ruim € 207.000.
In het hoger beroep is de betrokkene veroordeeld voor medeplegen van oplichting en witwassen, maar verklaarde het hof het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van het ondergronds bankieren wegens verjaring. Desondanks staat deze verjaring niet aan het opleggen van de ontnemingsmaatregel in de weg, conform eerdere jurisprudentie van de Hoge Raad.
De ontnemingsvordering is gebaseerd op een groot aantal transacties die aantonen dat de betrokkene een gewoonte had gemaakt van het plegen van ondergronds bankieren in de periode van februari 2010 tot november 2011. De redelijke termijn voor berechting is overschreden, maar dit leidt slechts tot een strafkorting in de strafzaak, zonder gevolgen voor de ontnemingsmaatregel.
Het hof bevestigt het vonnis van de rechtbank met een aangepaste grondslag van de vordering en legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staat van € 207.864,92 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Het hof bevestigt de ontnemingsvordering en legt de betrokkene de verplichting op tot betaling van € 207.864,92 ondanks verjaring van de strafvervolging.