De zaak betreft een hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter Amsterdam waarbij verdachte werd beschuldigd van belaging van haar dochter door herhaaldelijk contact te zoeken via brieven, telefoontjes en spraakberichten.
De verdachte, moeder van de benadeelde partij, had na een stopgesprek met de politie op 29 september 2020 duidelijk te horen gekregen dat haar dochter geen contact wenste. Het hof oordeelt dat pas vanaf dat moment de gedragingen als wederrechtelijk kunnen worden beschouwd. Voor die datum waren de pogingen tot contactherstel niet strafbaar.
Het hof constateert dat na het stopgesprek slechts één belpoging op 25 april 2021 heeft plaatsgevonden en dat er onvoldoende bewijs is voor andere pogingen. Gezien de geringe frequentie kan niet worden gesproken van een stelselmatige inbreuk op de persoonlijke levenssfeer. Daarom wordt verdachte vrijgesproken van belaging.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij wordt afgewezen omdat de verdachte niet schuldig is bevonden. Beide partijen dragen hun eigen kosten. Het arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Amsterdam op 6 februari 2023.