Op 12 juli 2019 reed verdachte samen met een medeverdachte met een bromfiets tegen de toegangsdeur van een woning aan de [adres 2] te Amsterdam, met het oogmerk om in te breken en goederen te stelen. De politie trof bij de verdachten een breekijzer aan en constateerde dat het slot van de deur was geforceerd.
De verdediging betoogde dat er slechts sprake was van vernieling en niet van poging tot inbraak, onder meer vanwege het tijdstip en de locatie. Het hof oordeelde echter dat de uiterlijke verschijningsvormen, de aanwezigheid van een breekijzer en de melding dat de verdachten binnen waren, wijzen op een poging tot inbraak.
Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank Amsterdam en verklaarde bewezen dat verdachte samen met een ander heeft geprobeerd in te breken. Gelet op de ernst van het feit, de eerdere veroordeling van verdachte en de omstandigheden, legde het hof een gevangenisstraf van drie maanden op met aftrek van voorarrest.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij werd afgewezen omdat onvoldoende is gebleken dat de schade volledig voor rekening van de benadeelde kwam. Beide partijen dragen hun eigen kosten.