ECLI:NL:GHAMS:2023:2592
Gerechtshof Amsterdam
- Beschikking
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep kinderalimentatie met bepaling draagkracht en opvangkosten
De zaak betreft een hoger beroep over de vaststelling van kinderalimentatie voor twee kinderen van partijen. De rechtbank had eerder een maandelijkse bijdrage van de man vastgesteld, welke de man aanvecht en de vrouw incidenteel hoger beroep instelt met hogere bedragen.
Het hof beoordeelt de behoefte van de kinderen aan de hand van de maximale tabelbehoefte, verhoogd met daadwerkelijke opvangkosten, waarbij een deel van de opvangkosten reeds in de tabel is verwerkt. De vrouw heeft de opvangkosten voldoende onderbouwd, inclusief thuisoppas en kinderdagverblijf. De man betwist de hoogte van de opvangkosten, maar zijn verweer wordt onvoldoende geacht.
De draagkracht van de man wordt vastgesteld op basis van zijn salaris en een redelijke fictieve dividenduitkering, rekening houdend met pensioen- en arbeidsongeschiktheidsverzekeringspremies en zijn onderhoudsverplichtingen voor drie oudere kinderen. De draagkracht van de vrouw wordt gebaseerd op haar werkelijke inkomsten en een toe te rekenen verdiencapaciteit vanaf de datum van de beschikking.
Het hof stelt de kinderalimentatie vast op € 2.071 per maand voor de periode 12 november 2020 tot 1 januari 2022, € 2.046 per maand van 1 januari 2022 tot 31 oktober 2023, en € 1.682 per maand vanaf 31 oktober 2023. Tevens wordt een regeling getroffen voor verrekening van nabetalingen van kinderopvangtoeslag. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: De man moet kinderalimentatie betalen van € 2.071 per maand vanaf 12 november 2020, met aanpassingen in latere periodes, rekening houdend met draagkracht en opvangkosten.