In hoger beroep is de betrokkene veroordeeld voor medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met artikel 2 onderPro B van de Opiumwet, met betrekking tot de verkoop van harddrugs in de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 mei 2016.
Het hof heeft het wederrechtelijk verkregen voordeel berekend op basis van een rapport waarin de dagelijkse verkoop van cocaïne en heroïne werd vastgesteld. De netto winst per dienst werd geschat, waarbij rekening werd gehouden met kosten en het feit dat de betrokkene vermoedelijk slechts een deel van de winst ontving. Het hof kwam uit op een bedrag van €10.220,00 voor de bewezenverklaarde periode.
De rechtbank Rotterdam had eerder het voordeel vastgesteld op €25.500,00 en een betalingsverplichting van €24.225,00 opgelegd. Het hof vernietigde dit vonnis en legde de betalingsverplichting vast op €10.220,00. De overschrijding van de redelijke termijn werd erkend, maar reeds verdisconteerd in de strafzaak. De betrokkene is verplicht dit bedrag aan de Staat te betalen ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitkomst: Betrokkene is verplicht tot betaling van €10.220,00 aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
Uitspraak
afdeling strafrecht
parketnummer: 23-002940-21
datum uitspraak: 26 oktober 2023
TEGENSPRAAK
Arrest van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 1 april 2021 op de vordering van het openbaar ministerie ingevolge artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht in de ontnemingszaak met nummer 10-660167-16 tegen de betrokkene
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1994,
adres: [adres].
Procesgang
Het openbaar ministerie heeft bij inleidende vordering gevorderd dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel, geschat tot een bedrag van € 86.759,00.
De betrokkene is bij vonnis van de rechtbank Rotterdam van 19 februari 2019 – kort gezegd – veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod.
Voorts heeft de rechtbank Rotterdam bij vonnis van 1 april 2021 het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 25.500,00 en de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 24.225,00 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.
De betrokkene heeft hoger beroep ingesteld tegen beide vonnissen.
De betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Amsterdam van 26 oktober 2023 veroordeeld ter zake van – kort gezegd – medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onderPro B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van
12 oktober 2023 en, overeenkomstig het bepaalde bij artikel 422, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen de betrokkene en de raadsman naar voren hebben gebracht.
Schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Het standpunt van het openbaar ministerie
De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep gevorderd dat het wederrechtelijk verkregen voordeel zal worden geschat op € 25.500,00.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft aangevoerd dat de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen de periode van 510 dagen niet dekken. Hij heeft primair verzocht het openbaar ministerie in de vordering niet-ontvankelijk te verklaren, subsidiair om de ontnemingsvordering af te wijzen en meer subsidiair om het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel te reduceren.
De grondslag
Het hof heeft in de strafzaak de betrokkene veroordeeld voor kort gezegd het frequent afleveren van harddrugs in de periode van 1 januari 2015 tot en met 25 mei 2016. Op grond van deze veroordeling kan aan de betrokkene de verplichting worden opgelegd tot betaling van een geldbedrag aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk voordeel dat hij heeft verkregen door middel van of uit de baten van het bewezenverklaarde.
De berekening
Gelet op het rapport berekening wederrechtelijk verkregen voordeel per delict ex art. 36e, 1e lid Sr ten aanzien van [verdachte] (hierna: Ontnemingsrapportage) gaat het hof ervan uit dat per dag (afgerond) 108 eenheden cocaïne/heroïne werden verkocht. [1] Het hof gaat uit van drie diensten per dag en dus van een verkoop van 36 eenheden per dienst. De verkoopprijs per eenheid cocaïne/heroïne bedraagt € 10,00. [2]
Gelet op het feit dat niet is gebleken dat de betrokkene mede-eigenaar was van de drugslijn acht het hof het niet aannemelijk dat de gehele netto winst per dienst aan de betrokkene toekwam. Aannemelijk is dat hij een percentage van de winst per dienst kreeg. Het hof schat dit percentage op 20%. Dat is afgerond (0,20 x € 199,00=) € 40,00 per dienst.
De bewezenverklaarde periode van 1 januari 2015 tot en met 25 mei 2016 behelst 73 weken. Het hof heeft in de strafzaak vastgesteld dat de betrokkene drie à vier dagen per week drugs verkocht en zal voor de berekening (in het voordeel van de betrokkene) uitgaan van 3,5 dagen per week.
Het voordeel per week bedraagt:
€ 40,00 x 3,5 = € 140,00
Het voordeel over de bewezenverklaarde periode bedraagt:
€ 140,00 x 73 = € 10.220,00
Het hof stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 10.220,00.
Verplichting tot betaling aan de Staat
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat de betalingsverplichting zal worden verminderd in verband met de overschrijding van de redelijke termijn, en dat aan de betrokkene de verplichting zal worden opgelegd tot betaling aan de staat van € 22.950,00 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
Het hof heeft geconstateerd dat de redelijke termijn bij behandeling van deze zaak in eerste aanleg en hoger beroep is overschreden. Aangezien het hof de overschrijding van de redelijke termijn reeds in de in hoger beroep gelijktijdig behandelde strafzaak heeft verdisconteerd, zal het hof in de ontnemingszaak volstaan met de constatering dat een overschrijding heeft plaatsgevonden.
Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 10.220,00.
Toepasselijk wettelijk voorschrift
De op te leggen maatregel is gegrond op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht.
BESLISSING
Het hof:
Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:
Stelt het bedrag waarop het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op een bedrag van € 10.220,00 (tienduizend tweehonderdtwintig euro).
Legt de betrokkene de verplichting op tot betaling aan de Staatter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van een bedrag van € 10.220,00 (tienduizend tweehonderdtwintig euro).
Bepaalt de duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd op 204 dagen.
Dit arrest is gewezen door de meervoudige strafkamer van het gerechtshof Den Haag, zitting houdende te Amsterdam, waarin zitting hadden mr. M. Lolkema, mr. B.E. Dijkers en mr. M.R. Paardekooper, in tegenwoordigheid van mr. S. Egidi, griffier, en is uitgesproken op de openbare terechtzitting van dit gerechtshof van 26 oktober 2023.