ECLI:NL:GHAMS:2023:2528
Gerechtshof Amsterdam
- Raadkamer
- R.D. van Heffen
- A.P.M. van Rijn
- P. Greve
- Rechtspraak.nl
Toekenning vergoeding kosten rechtsbijstand in strafzaak zonder strafoplegging
In deze zaak hebben verzoekers een gezamenlijk verzoek ingediend tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in een strafzaak die zonder strafoplegging is geëindigd. Het verzoek omvatte kosten voor rechtsbijstand in eerste aanleg en hoger beroep, alsmede kosten in de verzoekschriftprocedure zelf.
Het hof heeft vastgesteld dat de strafzaak is beëindigd zonder oplegging van straf of maatregel en zonder toepassing van artikel 9a Sr. De advocaat-generaal stelde voor een deel van de kosten af te wijzen en de vergoeding met 25% te matigen wegens eigen handelen van verzoekers. Het hof verwierp deze standpunten, omdat de kosten in redelijkheid verband houden met de strafzaak en de zaak niet aan eigen handelen van verzoekers kan worden toegerekend.
De rechter is niet gebonden aan de declaraties van de raadslieden, maar het hof vond de kosten niet bovenmatig gezien de complexiteit en duur van de procedure. Wel werd een deel van de kosten toegerekend aan artikel 529 Sv Pro in plaats van 530 Sv. Uiteindelijk kende het hof een vergoeding toe van €609.559,58 voor de strafzaak en €680,00 voor de verzoekschriftprocedure.
De beschikking werd uitgesproken door de meervoudige raadkamer van het Gerechtshof Amsterdam op 25 oktober 2023, met toekenning van een totaalbedrag van €611.424,58 aan verzoekers.
Uitkomst: Het hof kent een vergoeding van €611.424,58 toe voor kosten rechtsbijstand in de strafzaak en de verzoekschriftprocedure.