Het gerechtshof Amsterdam behandelde het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Amsterdam waarin verdachte werd veroordeeld voor medeplegen van een groot aantal (pogingen tot) inbraken. Het hof bevestigde de bewezenverklaring en voegde als aanvullend bewijsmiddel een door verdachte in hoger beroep afgelegde bekennende verklaring toe.
De rechtbank had een gevangenisstraf van 20 maanden opgelegd, waarvan 4 maanden voorwaardelijk. De advocaat-generaal vorderde een lagere straf. Het hof overwoog dat de feiten ernstig zijn en dat verdachte geen respect toonde voor andermans eigendommen, wat een forse onvoorwaardelijke straf rechtvaardigt. Echter, het hof hield rekening met de integrale bekentenis, de positieve gedragsverandering van verdachte en het recente reclasseringsadvies.
Daarnaast werd een overschrijding van de redelijke termijn vastgesteld vanwege onvoldoende voortvarendheid van het openbaar ministerie bij betekening van het verstekvonnis. Het hof verbond hieraan geen gevolgen vanwege de aard en duur van de straf en de reeds in het voordeel van verdachte meegewogen tijdsverloop.
Uiteindelijk legde het hof een gevangenisstraf van één jaar geheel voorwaardelijk op met een proeftijd van twee jaar, gecombineerd met een taakstraf van 240 uur. De tijd in voorarrest wordt in mindering gebracht op de taakstraf. Het vonnis van de rechtbank werd voor het overige bevestigd.