De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het samen met twee anderen inbreken bij een landbouwbedrijf en het stelen van 7200 klapkratten, een feit van aanzienlijke waarde vanwege het statiegeld. Het hof bevestigt de bewezenverklaring van het vonnis van de rechtbank Noord-Holland, maar vernietigt het vonnis voor wat betreft de strafoplegging.
In hoger beroep heeft het hof de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder het is gepleegd meegewogen. De inbraak vond midden in de nacht plaats en veroorzaakte aanzienlijke schade en maatschappelijke onrust, met name onder telers die afhankelijk zijn van dergelijke kratten voor hun bedrijfsvoering. Het hof benadrukt dat voor dergelijke feiten een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is.
Echter, rekening houdend met de jeugdige leeftijd van de verdachte ten tijde van het feit en de positieve ontwikkelingen in zijn leven sindsdien, waaronder werk als dakdekker, therapie, schuldsanering en het verkrijgen van een eigen woning, legt het hof een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden op. Daarnaast wordt een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur opgelegd om de ernst van het feit te onderstrepen.
Het hof acht het in het belang van zowel de verdachte als de maatschappij dat de verdachte zijn positieve levenswending kan voortzetten zonder detentie, maar met een duidelijke strafrechtelijke sanctie. Het vonnis van de rechtbank wordt voor het overige bevestigd.