Uitspraak
1.Het verloop van de procedure bij de rechtbank
2.De procedure in hoger beroep
3.De feiten
4.De omvang van het geschil
5.De motivering van de beslissing
de advocaat van de moeder:
Gerechtshof Amsterdam
De zaak betreft een hoger beroep van de moeder tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam waarin haar kinderen onder toezicht werden gesteld van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Regio. De moeder betwistte de ontvankelijkheid van het verzoek omdat de Raad voor de Kinderbescherming het verzoek tot ondertoezichtstelling mondeling tijdens de zitting had gedaan, zonder voorafgaand schriftelijk verzoek, waardoor zij zich niet adequaat kon voorbereiden of verweren.
De rechtbank had de ondertoezichtstelling uitgesproken op 16 februari 2023, waarbij het verzoek mondeling werd ingediend en pas na de zitting schriftelijk bevestigd. De moeder stelde dat zij niet uitdrukkelijk had ingestemd met het verzoek en dat het schriftelijkheidsvereiste en de procesrechten, zoals vastgelegd in artikel 6 EVRM Pro, waren geschonden.
Het hof oordeelde dat het schriftelijkheidsvereiste van artikel 1:265k BW en de waarborgen van artikel 6 EVRM Pro en het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet waren nageleefd. Er was geen sprake van acuut en ernstig gevaar dat een voorlopige ondertoezichtstelling rechtvaardigde. De mondelinge indiening was daarom niet toelaatbaar en de moeder had niet ondubbelzinnig ingestemd. De beschikking werd vernietigd en de Raad werd niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek tot ondertoezichtstelling.
Uitkomst: De beschikking tot ondertoezichtstelling wordt vernietigd en de Raad wordt niet-ontvankelijk verklaard in het verzoek.