Art. 7:260 BWArt. 7:262 lid 1 BWArt. 7:262 lid 2 BWArt. 7:246 BWArt. 7:265 BW
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Ontvankelijkheid hoger beroep tegen vonnis inzake stookkostenafrekening na Huurcommissie-uitspraak
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van [appellante] tegen een vonnis van de kantonrechter waarin een uitspraak van de Huurcommissie over de stookkostenafrekening 2019 is beoordeeld. [Geïntimeerden] huurden woningen in een complex en hadden bij de Huurcommissie bezwaar gemaakt tegen de vastgestelde stookkosten. De kantonrechter stelde de stookkosten vast conform de alternatieve berekening van de rapporteur van de Huurcommissie, wees de gevorderde legeskosten af en veroordeelde [appellante] in de proceskosten.
[Appellante] kwam in hoger beroep, maar het hof stelt vast dat op grond van artikel 7:262 lid 2 BWPro tegen een dergelijk vonnis geen hoger beroep openstaat, tenzij een doorbrekingsgrond wordt aangevoerd. [Appellante] voert aan dat zij ontvankelijk is omdat zij niet partij was bij de Huurcommissieprocedure en dat fundamentele procesrechten zoals hoor en wederhoor en het recht op een oral hearing zijn geschonden.
Het hof oordeelt dat deze argumenten een afdoende doorbrekingsgrond vormen, zodat het rechtsmiddelenverbod niet aan ontvankelijkheid in de weg staat. De inhoudelijke beoordeling van deze gronden en de vraag of het financiële belang boven de appelgrens ligt, wordt overgelaten aan de kamer die de zaak na de memorie van grieven zal behandelen. De zaak is verwezen naar de rol voor memorie van grieven.
Uitkomst: Het hof verklaart het hoger beroep ontvankelijk vanwege een doorbrekingsgrond en verwijst de zaak naar de rol voor memorie van grieven.
arrest van de meervoudige burgerlijke kamer van 18 juli 2023
inzake
[X] VASTGOED MANAGEMENT B.V., gevestigd te [vestigingsplaats],
appellante,
advocaat: mr. S. Pentinga te Amsterdam,
tegen:
1.[geïntimeerde 1],
2. [geïntimeerde 2],
3. [geïntimeerde 3],
4. [geïntimeerde 4],
5. [geïntimeerde 5],
6. [geïntimeerde 6],
7. [geïntimeerde 7],
8. [geïntimeerde 8],
9. [geïntimeerde 9],
10. [geïntimeerde 10],
11. [geïntimeerde 11],
12. [geïntimeerde 12],
13. [geïntimeerde 13],
14. [geïntimeerde 14],
15. [geïntimeerde 15],
16. [geïntimeerde 16],
17. [geïntimeerde 17],
allen wonend te [woonplaats 1],
18. [geïntimeerde 18],
wonend te [woonplaats 2],
geïntimeerden,
advocaat: mr. H.M. Meijerink te Amsterdam.
1.Het geding in hoger beroep
Partijen worden hierna [appellante] en [geïntimeerden] genoemd.
Bij dagvaarding van 11 november 2022 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de kantonrechter in de rechtbank Amsterdam (hierna: de kantonrechter), dat onder bovenvermeld zaaknummer tussen partijen is gewezen op 11 augustus 2022.
Bij rolbeslissing van 14 maart 2023 is [appellante] in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over de ontvankelijkheid in het hoger beroep gericht tegen voornoemd vonnis, waarin een uitspraak van de Huurcommissie is beoordeeld. [geïntimeerden] zijn in de gelegenheid gesteld om daarop bij akte te reageren.
[appellante] heeft een akte, met een productie, als hiervoor bedoeld genomen.
[geïntimeerden] hebben een antwoordakte genomen.
Arrest is nader bepaald op heden.
2.Beoordeling
2.1.
Het gaat in deze zaak – kort samengevat en voor zover voor de onderhavige beslissing van belang – om het volgende. [geïntimeerden] huren ieder een woning in een complex aan de [straatnaam] 1 t/m 21 te [plaats]. Zij hebben bij de Huurcommissie ieder een verzoek ex artikel 7:260 vanPro het Burgerlijk Wetboek (BW) ingediend om de afrekening van de stookkosten over 2019 te beoordelen. Op 13 oktober 2021 heeft de Huurcommissie op deze verzoeken uitspraak gedaan. In die uitspraken is [naam] (hierna: [X]) als verhuurder vermeld. De Huurcommissie heeft het door ieder van de huurders te betalen bedrag aan stookkosten voor 2019 vastgesteld conform de uiteindelijke conclusie van de in de betreffende zaak uitgebrachte rapportage.
2.2.
[geïntimeerden] waren het met deze uitspraken niet eens en hebben op de voet van artikel 7:262 lid 1 BWPro een beslissing van de kantonrechter gevorderd. In de procedure bij de kantonrechter hebben [geïntimeerden] gevorderd de stookkosten voor 2019 van ieder van hen – conform de alternatieve berekening van de rapporteur van de Huurcommissie – vast te stellen op een in de inleidende dagvaarding genoemd bedrag, met veroordeling van [appellante] tot betaling van € 450,- (18 x € 25,-) ter zake van aan de Huurcommissie betaalde leges en in de proceskosten. Bij het bestreden vonnis heeft de kantonrechter de stookkosten voor 2019 vastgesteld op de gevorderde bedragen, de gevorderde legeskosten afgewezen en [appellante] veroordeeld in de proceskosten. [appellante] is van dit vonnis in hoger beroep gekomen.
2.3.
Het hof stelt voorop dat op grond van artikel 7:262 lid 2 BWPro tegen een vonnis van de kantonrechter als het onderhavige geen hogere voorziening openstaat. Dit is alleen anders als er een doorbrekingsgrond is, namelijk als de kantonrechter buiten het toepassingsgebied van de artikelen 7:246 tot en met 7:265 BW is getreden en de Uitvoeringswet huurprijzen woonruimte (UHW) of deze artikelen ten onrechte buiten toepassing heeft gelaten of als in eerste aanleg fundamentele beginselen van een goede procesorde zijn geschonden. Voor de ontvankelijkheid in hoger beroep is het voldoende dat een doorbrekingsgrond van het rechtsmiddelenverbod is gesteld.
2.4.
[appellante] meent dat zij ontvankelijk is in haar hoger beroep en heeft daartoe in de eerste plaats aangevoerd dat het rechtsmiddelenverbod niet op haar van toepassing is, omdat niet zij maar [X] partij was in de procedure bij de Huurcommissie. Daarnaast heeft de kantonrechter volgens [appellante] het fundamentele rechtsbeginsel van hoor en wederhoor en/of het recht op een oral hearing van artikel 6 EVRMPro geschonden door eindvonnis te wijzen zonder haar nog in de gelegenheid te stellen om bij antwoordakte en/of tijdens een mondelinge behandeling te reageren op de door [geïntimeerden] na haar conclusie van dupliek genomen akte.
2.5.
Het hof is van oordeel dat het rechtsmiddelenverbod van artikel 7:262 lid 2 BWPro niet aan de ontvankelijkheid van [appellante] in de weg staat, nu [appellante] met de hiervoor onder 2.4 kort weergegeven argumenten een afdoende beroep op (een) doorbrekings- grond(en) heeft gedaan. Of dit beroep van [appellante] daadwerkelijk tot doorbreking van het rechtsmiddelenverbod kan leiden – [geïntimeerden] hebben zich op het standpunt gesteld dat dit niet het geval is –, zal worden beoordeeld door de samenstelling van het hof die de zaak na de memoriewisseling inhoudelijk gaat beoordelen.
2.6.
[geïntimeerden] hebben bij hun antwoordakte verder aangevoerd dat het financiële belang in deze zaak ruim onder de appelgrens ligt en dat [appellante] om die reden niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep. Omdat [appellante] nog niet op dit betoog heeft kunnen reageren, zal de beoordeling daarvan worden overgelaten aan de samenstelling van het hof die de zaak na de memoriewisseling inhoudelijk gaat beoordelen. Partijen dienen zich bij hun memories uit te laten over de vraag of de vordering waarover de rechter in eerste aanleg had te beslissen boven de appelgrens van € 1.750,- van artikel 332 lid 1 vanPro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) uitkomt.
2.7.
De zaak zal worden verwezen naar de rol voor memorie van grieven door [appellante].
3.Beslissing
Het hof:
verwijst de zaak naar de rol van 29 augustus 2023 voor memorie van grieven door [appellante];
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit arrest is gewezen door mrs. J.C.W. Rang, J.W. Hoekzema en A.R. Sturhoofd en door de rolraadsheer in het openbaar uitgesproken op 18 juli 2023.