Uitspraak
GERECHTSHOF AMSTERDAM
;
Gerechtshof Amsterdam
De moeder is in hoger beroep gekomen tegen een beschikking van de kinderrechter die een omgangsregeling tussen de minderjarige en haar voormalige pleegouders vaststelde. De minderjarige was sinds november 2019 met een spoedmachtiging uit huis geplaatst en heeft bijna een jaar bij de voormalige pleegouders gewoond. Sinds oktober 2020 woont zij bij haar vader, met wie zij het hoofdverblijf heeft.
De moeder betoogde dat er geen sprake is van family life tussen de minderjarige en de voormalige pleegouders, omdat het contact pas recentelijk weer structureel is en de pleegouders geen substantieel deel van de opvoeding hebben verzorgd. De GI en de vader stelden dat er wel een hechtingsrelatie is ontstaan en dat het in het belang van de minderjarige is om deze relatie te behouden. De Raad voor de Kinderbescherming adviseerde eveneens de omgangsregeling te bekrachtigen.
Het hof oordeelde dat er sprake is van een nauwe persoonlijke betrekking tussen de minderjarige en haar voormalige pleegouders, mede vanwege de biologische verwantschap en de langdurige verzorging in een kwetsbare periode. De omgangsregeling is noodzakelijk om de hechtingsrelatie te waarborgen en biedt de minderjarige de benodigde structuur en voorspelbaarheid. Daarom werd de beschikking van de kinderrechter bekrachtigd.
Uitkomst: De omgangsregeling waarbij de minderjarige één weekend per vijf weken bij haar voormalige pleegouders verblijft, wordt bekrachtigd.