ECLI:NL:GHAMS:2023:1368
Gerechtshof Amsterdam
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen spoedeisend belang bij vordering tot medewerking verkoop gezamenlijke woning
Partijen hadden sinds 2004 een relatie en kochten in 2008 samen een woning met hypotheek. Na beëindiging van hun relatie in 2011 heeft de geïntimeerde de woonlasten volledig gedragen, terwijl de appellant slechts kort heeft bijgedragen. In 2020 verzocht de geïntimeerde de appellant mee te werken aan de overname van de woning, waarbij hij stelde dat zij geen aanspraak kon maken op de overwaarde.
De voorzieningenrechter wees de vordering van appellant af wegens het ontbreken van een spoedeisend belang, mede omdat appellant geen concrete plannen had om de woning te verlaten of financiële problemen had die onmiddellijke verkoop noodzakelijk maakten. Het hof bevestigde dit oordeel en oordeelde dat nader onderzoek naar de rechtsverhouding, verdeelsleutel overwaarde en woonlasten noodzakelijk is, hetgeen niet in kort geding kan plaatsvinden.
Het hof stelde vast dat appellant ruim negen jaar stil heeft gezeten en pas na het initiatief van geïntimeerde in 2020 de verkoop vorderde. Gezien de omstandigheden is er geen spoedeisend belang bij de gevraagde voorziening. Het hof bekrachtigde het vonnis en compenseerde de proceskosten, waarbij iedere partij haar eigen kosten draagt.
Uitkomst: Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter en wijst de vordering tot medewerking aan verkoop van de woning af wegens ontbreken van spoedeisend belang.