De verdachte werd in eerste aanleg veroordeeld voor het overtreden van voorschriften uit het ADR bij het vervoer van lachgas in een bedrijfsauto over de openbare weg in Amsterdam. Het hof vernietigde het vonnis van de economische politierechter en behandelde het hoger beroep.
De tenlastelegging betrof het ontbreken van een volledig ingevuld vervoersdocument, het ontbreken van een goedgekeurd brandblusapparaat en het niet vastzetten van de lading. De verdediging voerde aan dat de brandblusser nog functioneel was, de lading wel degelijk was vastgezet en dat een vrachtbrief aanwezig was.
Het hof oordeelde dat uit het proces-verbaal bleek dat de lading niet was vastgezet, de keuringstermijn van de brandblusser was verstreken en dat geen correct ingevuld vervoersdocument aanwezig was. Daarmee was de overtreding wettig en overtuigend bewezen. De verdachte werd veroordeeld tot een geldboete van € 2.500,- waarvan € 2.000,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, en een hechtenisstraf van 35 dagen waarvan 30 dagen voorwaardelijk.
Het hof hield rekening met de eerdere veroordeling van de verdachte voor dezelfde overtreding, zijn jeugdige leeftijd en het feit dat hij een nieuw pad lijkt te zijn ingeslagen. Het risico van herhaling werd als beperkt beschouwd omdat hij niet langer als vervoerder werkzaam is. Het arrest werd uitgesproken door de meervoudige economische kamer van het gerechtshof Amsterdam op 31 mei 2023.